BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 8.8
Regeling toelatingseisen
1. Voor wat betreft de grootte van het gezichtsveld van bussen in gebruik genomen vóór 1 juli 1985 moet worden voldaan aan de minimum en maximum maten zoals weergegeven in figuur 3.
2. Voor wat betreft de aanwezigheid van raamstijlen in het gezichtsveld van bussen, in gebruik genomen vóór 1 juli 1985, moet worden voldaan aan de minimum en maximum maten zoals weergegeven in figuur 4 en 5 waarbij het volgende in acht moet worden genomen:
a. figuur 4 geeft de situatie weer welke geldt voor bussen met het stuurwiel aan de linkerzijde, gezien in rijrichting: indien het stuurwiel aan de rechterzijde is geplaatst geldt het spiegelbeeld;
b. alle maten gelden tussen een hoogte van 300 mm en 550 mm boven de achterzijde van het stuurwiel (punt O);
c. de stijldikte moet horizontaal worden gemeten, en de stijlafstand moet worden gemeten als de afstand p in figuur 5;
d. de gemiddelde onderlinge afstand van twee stijlen moet ten minste 100 mm bedragen, met dien verstande dat de kleinste afstand ten minste 65 mm moet bedragen;
e. in de sector, waar een stijldikte van ten hoogste 65 mm is toegestaan mag geen deel van een stijl met een grotere stijldikte dan 65 mm zijn gelegen. Bij de bepaling van de stijldikte worden aan of bij de stijlen aangebrachte delen, zoals een buitenspiegel, mede in aanmerking genomen;
f. de aanwezigheid van een voorruitstijl is niet toegestaan in de sector die wordt begrensd door een verticaal langsvlak, dat is gelegen op 200 mm links naast het hart van het stuurwiel (bij rechts stuur rechts naast het hart van het stuurwiel) en de middenstijl of, bij het ontbreken daarvan, het midden van de voorruit.
2. Voor wat betreft de aanwezigheid van raamstijlen in het gezichtsveld van bussen, in gebruik genomen vóór 1 juli 1985, moet worden voldaan aan de minimum en maximum maten zoals weergegeven in figuur 4 en 5 waarbij het volgende in acht moet worden genomen:
a. figuur 4 geeft de situatie weer welke geldt voor bussen met het stuurwiel aan de linkerzijde, gezien in rijrichting: indien het stuurwiel aan de rechterzijde is geplaatst geldt het spiegelbeeld;
b. alle maten gelden tussen een hoogte van 300 mm en 550 mm boven de achterzijde van het stuurwiel (punt O);
c. de stijldikte moet horizontaal worden gemeten, en de stijlafstand moet worden gemeten als de afstand p in figuur 5;
d. de gemiddelde onderlinge afstand van twee stijlen moet ten minste 100 mm bedragen, met dien verstande dat de kleinste afstand ten minste 65 mm moet bedragen;
e. in de sector, waar een stijldikte van ten hoogste 65 mm is toegestaan mag geen deel van een stijl met een grotere stijldikte dan 65 mm zijn gelegen. Bij de bepaling van de stijldikte worden aan of bij de stijlen aangebrachte delen, zoals een buitenspiegel, mede in aanmerking genomen;
f. de aanwezigheid van een voorruitstijl is niet toegestaan in de sector die wordt begrensd door een verticaal langsvlak, dat is gelegen op 200 mm links naast het hart van het stuurwiel (bij rechts stuur rechts naast het hart van het stuurwiel) en de middenstijl of, bij het ontbreken daarvan, het midden van de voorruit.