BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 8.10
Regeling toelatingseisen
1. Voorruiten van personenauto's, bedrijfsauto's en driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen vóór 1 januari 1995 moeten voldoen aan de volgende eisen:
a. de doorzichtigheid mag niet minder zijn dan die van gewoon glas en er mag geen beeldvertekening optreden;
b. ze mogen bij breuk niet in scherpe scherven uiteen vallen.
2. De in het eerste lid genoemde voorruiten mogen bestaan uit de volgende soorten materiaal:
a. gehard glas, dat uit één laag glas bestaat en een bijzondere warmtebehandeling heeft ondergaan, zodat bij breuk korrelvorming optreedt;
b. gelaagd glas, dat uit meer dan één tegen elkaar vast gehechte lagen bestaat, waarbij ten minste één van deze lagen uit plastisch materiaal bestaat;
c. één laag doorzichtig plastisch materiaal, zoals plexiglas.
3. Het in het tweede lid, onderdeel c, genoemde materiaal is niet toegestaan voor voorruiten van bussen.
a. de doorzichtigheid mag niet minder zijn dan die van gewoon glas en er mag geen beeldvertekening optreden;
b. ze mogen bij breuk niet in scherpe scherven uiteen vallen.
2. De in het eerste lid genoemde voorruiten mogen bestaan uit de volgende soorten materiaal:
a. gehard glas, dat uit één laag glas bestaat en een bijzondere warmtebehandeling heeft ondergaan, zodat bij breuk korrelvorming optreedt;
b. gelaagd glas, dat uit meer dan één tegen elkaar vast gehechte lagen bestaat, waarbij ten minste één van deze lagen uit plastisch materiaal bestaat;
c. één laag doorzichtig plastisch materiaal, zoals plexiglas.
3. Het in het tweede lid, onderdeel c, genoemde materiaal is niet toegestaan voor voorruiten van bussen.