BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 8.25
Regeling toelatingseisen
1. De rechterbuitenspiegel van personenauto's in gebruik genomen na 30 september 1988 doch vóór 1 januari 1995, alsmede bedrijfsauto's, bestemd voor het vervoer van goederen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder vanaf een punt gelegen op 20,00 m achter de oogpunten van de bestuurder tot aan de horizon ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 4,00 m kan overzien. Dit gedeelte wordt links begrensd door het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdige verticale vlak door het meest rechtse punt van het voertuig, zoals weergegeven in figuur 10.
2. De rechterbuitenspiegel van personenauto's, in gebruik genomen vóór 1 oktober 1988, alsmede bedrijfsauto's, bestemd voor het vervoer van goederen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder vanaf een punt gelegen op 30,00 m achter de oogpunten van de bestuurder tot aan de horizon ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 3,50 m kan overzien. Dit gedeelte wordt links begrensd door het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdige verticale vlak door het meest rechtse punt van het voertuig, zoals weergegeven in figuur 11.
3. De rechterbuitenspiegel van bussen alsmede bedrijfsauto's, bestemd voor het vervoer van goederen met een toegestane maximum massa van meer dan 2000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder vanaf een punt gelegen op 30,00 m afstand achter de oogpunten van de bestuurder tot aan de horizon ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 3,50 m kan overzien. Tevens moet een weggedeelte over een breedte van 0,75 m vanaf een punt gelegen op een afstand van 4,00 m achter eerder genoemde oogpunten oplopend tot een breedte van 3,50 m gelegen op een afstand van 30,00 m achter de oogpunten, zichtbaar zijn. Deze gedeelten worden links begrensd door het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdige verticale vlak door het meest rechtse punt van het voertuig, zoals weergegeven in figuur 12.
2. De rechterbuitenspiegel van personenauto's, in gebruik genomen vóór 1 oktober 1988, alsmede bedrijfsauto's, bestemd voor het vervoer van goederen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder vanaf een punt gelegen op 30,00 m achter de oogpunten van de bestuurder tot aan de horizon ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 3,50 m kan overzien. Dit gedeelte wordt links begrensd door het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdige verticale vlak door het meest rechtse punt van het voertuig, zoals weergegeven in figuur 11.
3. De rechterbuitenspiegel van bussen alsmede bedrijfsauto's, bestemd voor het vervoer van goederen met een toegestane maximum massa van meer dan 2000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder vanaf een punt gelegen op 30,00 m afstand achter de oogpunten van de bestuurder tot aan de horizon ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 3,50 m kan overzien. Tevens moet een weggedeelte over een breedte van 0,75 m vanaf een punt gelegen op een afstand van 4,00 m achter eerder genoemde oogpunten oplopend tot een breedte van 3,50 m gelegen op een afstand van 30,00 m achter de oogpunten, zichtbaar zijn. Deze gedeelten worden links begrensd door het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdige verticale vlak door het meest rechtse punt van het voertuig, zoals weergegeven in figuur 12.