BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 8.4
Regeling toelatingseisen
1. Voor de vaststelling van het gezichtsveld van de bestuurder worden buiten beschouwing gelaten:
a. de buitenspiegels en de bevestigingsdelen daarvan en
b. voertuigdelen die zijn gelegen: 1º achter een verticaal vlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van het voertuig gaande door het in artikel 8.3 gedefinieerde punt V;
2º boven een horizontaal vlak 30 mm boven het in artikel 8.3 gedefinieerde punt V;
3º lager dan een vlak door het in artikel 8.3 gedefinieerde punt V en punten welke zijn gelegen op een afstand van 6,50 m buiten de op het wegdek geprojecteerde buitenomtrek van de bus.
1º achter een verticaal vlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van het voertuig gaande door het in artikel 8.3 gedefinieerde punt V;
2º boven een horizontaal vlak 30 mm boven het in artikel 8.3 gedefinieerde punt V;
3º lager dan een vlak door het in artikel 8.3 gedefinieerde punt V en punten welke zijn gelegen op een afstand van 6,50 m buiten de op het wegdek geprojecteerde buitenomtrek van de bus.
2. De bepaling van de toegestane afmetingen, het aantal en de plaats van voertuigdelen welke het gezichtsveld van de bestuurder binnen een hierna in het derde lid omschreven gebied mogen belemmeren, vindt plaats aan de hand van figuur 2.
3. Binnen het in figuur 2 aangeduide gezichtsveld worden:
a. twee denkbeeldige verticale vlakken aangebracht waarvan het eerste vlak gaat door het in artikel 8.3 gedefinieerde punt V en een hoek van 17° naar links maakt met het mediaanlangsvlak van de bestuurderszitplaats en het tweede vlak ontstaat door het eerste vlak ten opzichte van het mediaanlangsvlak van de bus te spiegelen;
b. twee denkbeeldige horizontale vlakken aangebracht door de punten V1 en V2 welke respectievelijk zijn gelegen op 50 mm en 300 mm verticaal onder het punt V.
4. Door de overeenkomstig het derde lid aangebrachte horizontale en verticale vlakken worden drie ruimten gevormd, van links naar rechts gerekend, ruimte 1, ruimte 2 en ruimte 3.
5. Binnen de beschreven ruimten mogen zich geen voertuigdelen bevinden die het gezichtsveld belemmeren welke vanuit het punt V gezien horizontaal gemeten breder zijn dan:
a. in ruimte 1: 155 mm,
b. in ruimte 2: 65 mm,
c. in ruimte 3: 220 mm.
6. In het gebied dat begrensd wordt door een denkbeeldig verticaal langsvlak op 200 mm links naast het mediaanlangsvlak van de bestuurderszitbank en de middenstijl van de voorruit, of bij ontbreken daarvan, van het midden van de voorruit mag zich geen voorruitstijl bevinden.
7. Indien zich binnen ruimte 3 een meerdelige deur bevindt, mag de maximum toegestane breedte van 220 mm voor delen van de deur met ten hoogste 30 mm worden vermeerderd mits aan weerszijden van dat deel een glasoppervlak met een breedte van ten minste 200 mm aanwezig is.
8. Binnen het gezichtsveld gevormd door de ruimten 1, 2 en 3 mogen ten hoogste zes constructiedelen zijn gelegen die het vrije gezichtsveld belemmeren.
a. de buitenspiegels en de bevestigingsdelen daarvan en
b. voertuigdelen die zijn gelegen: 1º achter een verticaal vlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van het voertuig gaande door het in artikel 8.3 gedefinieerde punt V;
2º boven een horizontaal vlak 30 mm boven het in artikel 8.3 gedefinieerde punt V;
3º lager dan een vlak door het in artikel 8.3 gedefinieerde punt V en punten welke zijn gelegen op een afstand van 6,50 m buiten de op het wegdek geprojecteerde buitenomtrek van de bus.
1º achter een verticaal vlak loodrecht op het mediaanlangsvlak van het voertuig gaande door het in artikel 8.3 gedefinieerde punt V;
2º boven een horizontaal vlak 30 mm boven het in artikel 8.3 gedefinieerde punt V;
3º lager dan een vlak door het in artikel 8.3 gedefinieerde punt V en punten welke zijn gelegen op een afstand van 6,50 m buiten de op het wegdek geprojecteerde buitenomtrek van de bus.
2. De bepaling van de toegestane afmetingen, het aantal en de plaats van voertuigdelen welke het gezichtsveld van de bestuurder binnen een hierna in het derde lid omschreven gebied mogen belemmeren, vindt plaats aan de hand van figuur 2.
3. Binnen het in figuur 2 aangeduide gezichtsveld worden:
a. twee denkbeeldige verticale vlakken aangebracht waarvan het eerste vlak gaat door het in artikel 8.3 gedefinieerde punt V en een hoek van 17° naar links maakt met het mediaanlangsvlak van de bestuurderszitplaats en het tweede vlak ontstaat door het eerste vlak ten opzichte van het mediaanlangsvlak van de bus te spiegelen;
b. twee denkbeeldige horizontale vlakken aangebracht door de punten V1 en V2 welke respectievelijk zijn gelegen op 50 mm en 300 mm verticaal onder het punt V.
4. Door de overeenkomstig het derde lid aangebrachte horizontale en verticale vlakken worden drie ruimten gevormd, van links naar rechts gerekend, ruimte 1, ruimte 2 en ruimte 3.
5. Binnen de beschreven ruimten mogen zich geen voertuigdelen bevinden die het gezichtsveld belemmeren welke vanuit het punt V gezien horizontaal gemeten breder zijn dan:
a. in ruimte 1: 155 mm,
b. in ruimte 2: 65 mm,
c. in ruimte 3: 220 mm.
6. In het gebied dat begrensd wordt door een denkbeeldig verticaal langsvlak op 200 mm links naast het mediaanlangsvlak van de bestuurderszitbank en de middenstijl van de voorruit, of bij ontbreken daarvan, van het midden van de voorruit mag zich geen voorruitstijl bevinden.
7. Indien zich binnen ruimte 3 een meerdelige deur bevindt, mag de maximum toegestane breedte van 220 mm voor delen van de deur met ten hoogste 30 mm worden vermeerderd mits aan weerszijden van dat deel een glasoppervlak met een breedte van ten minste 200 mm aanwezig is.
8. Binnen het gezichtsveld gevormd door de ruimten 1, 2 en 3 mogen ten hoogste zes constructiedelen zijn gelegen die het vrije gezichtsveld belemmeren.