BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 5.11
Regeling toelatingseisen
1. Gasleidingen en -slangen die in de personenruimte of in de gesloten laadruimte van het voertuig aanwezig zijn, mogen niet langer zijn dan noodzakelijk is om vanuit de LPG-tank één van beide zijkanten van het voertuig te bereiken.
2. In de personenruimte of gesloten laadruimte mogen geen gasvoerende verbindingen aanwezig zijn met uitzondering van:
a. de verbindingen in de gasdichte kast, en
b. de verbinding tussen gasleiding of -slang en de vulaansluiting indien deze verbinding is voorzien van een omkapseling die bestand is tegen LPG en in open verbinding staat met de buitenlucht.
3. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing indien het een bus betreft en de gasleidingen of -slangen zijn voorzien van een omkapseling die bestand is tegen LPG en in open verbinding staat met de buitenlucht.
2. In de personenruimte of gesloten laadruimte mogen geen gasvoerende verbindingen aanwezig zijn met uitzondering van:
a. de verbindingen in de gasdichte kast, en
b. de verbinding tussen gasleiding of -slang en de vulaansluiting indien deze verbinding is voorzien van een omkapseling die bestand is tegen LPG en in open verbinding staat met de buitenlucht.
3. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing indien het een bus betreft en de gasleidingen of -slangen zijn voorzien van een omkapseling die bestand is tegen LPG en in open verbinding staat met de buitenlucht.