BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 9.53
Regeling toelatingseisen
1. Het voertuig moet zijn voorzien van:
a. twee of vier grote lichten;
b. twee dimlichten die indien het voertuig na 31 december 1957 doch vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen, moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk, zoals weergegeven in figuur 1. In afwijking hiervan behoeven de dimlichten van een driewielige motorrijtuigen waarvan de motor een cylinderinhoud heeft van ten hoogste 150 cm³ niet te zijn voorzien van een goedkeuringsmerk;
c. twee of vier stadslichten;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant;
e. twee of vier achterlichten;
f. één of twee remlichten;
g. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
h. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig.
2. De in het eerste lid, onderdelen d en f, genoemde lichten zijn niet verplicht voor driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat de door hem met de arm gegeven seinen zowel goed zichtbaar zijn voor het tegemoetkomend verkeer als voor het achteropkomend verkeer.
3. Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,00 m en uitgerust met één voorwiel mogen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a, b en c, zijn voorzien van:
a. één grootlicht;
b. één dimlicht;
c. één stadslicht.
4. Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,00 m en uitgerust met één achterwiel mogen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen e, f en h, zijn voorzien van:
a. één achterlicht;
b. één remlicht;
c. één niet-driehoekige rode retroreflector.
a. twee of vier grote lichten;
b. twee dimlichten die indien het voertuig na 31 december 1957 doch vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen, moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk, zoals weergegeven in figuur 1. In afwijking hiervan behoeven de dimlichten van een driewielige motorrijtuigen waarvan de motor een cylinderinhoud heeft van ten hoogste 150 cm³ niet te zijn voorzien van een goedkeuringsmerk;
c. twee of vier stadslichten;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant;
e. twee of vier achterlichten;
f. één of twee remlichten;
g. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
h. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig.
2. De in het eerste lid, onderdelen d en f, genoemde lichten zijn niet verplicht voor driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat de door hem met de arm gegeven seinen zowel goed zichtbaar zijn voor het tegemoetkomend verkeer als voor het achteropkomend verkeer.
3. Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,00 m en uitgerust met één voorwiel mogen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a, b en c, zijn voorzien van:
a. één grootlicht;
b. één dimlicht;
c. één stadslicht.
4. Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,00 m en uitgerust met één achterwiel mogen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen e, f en h, zijn voorzien van:
a. één achterlicht;
b. één remlicht;
c. één niet-driehoekige rode retroreflector.