BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 9.46
Regeling toelatingseisen
1. Het voertuig moet zijn voorzien:
a. twee of vier grote lichten;
b. twee dimlichten voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 1. In afwijking hiervan behoeven de dimlichten van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 27 november 1975, waarvan de motor een cylinderinhoud heeft van ten hoogste 150 cm³, niet te zijn voorzien van een goedkeuringsmerk;
c. twee stadslichten;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig;
e. twee achterlichten;
f. twee remlichten;
g. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
h. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 2.
2. De in het eerste lid, onderdelen d en f, genoemde lichten zijn niet verplicht voor driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 27 november 1975, waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat de door hem met de arm gegeven seinen zowel goed zichtbaar zijn voor het tegemoetkomend verkeer als voor het achteropkomend verkeer.
3. Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,00 m en uitgerust met één voorwiel mogen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a, b en c, zijn voorzien van:
a. één grootlicht;
b. één dimlicht;
c. één stadslicht.
4. Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,00 m en uitgerust met één achterwiel mogen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen e, f en h, zijn voorzien van:
a. één achterlicht;
b. één remlicht;
c. één niet-driehoekige rode retroreflector.
a. twee of vier grote lichten;
b. twee dimlichten voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 1. In afwijking hiervan behoeven de dimlichten van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 27 november 1975, waarvan de motor een cylinderinhoud heeft van ten hoogste 150 cm³, niet te zijn voorzien van een goedkeuringsmerk;
c. twee stadslichten;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig;
e. twee achterlichten;
f. twee remlichten;
g. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat;
h. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 2.
2. De in het eerste lid, onderdelen d en f, genoemde lichten zijn niet verplicht voor driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 27 november 1975, waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat de door hem met de arm gegeven seinen zowel goed zichtbaar zijn voor het tegemoetkomend verkeer als voor het achteropkomend verkeer.
3. Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,00 m en uitgerust met één voorwiel mogen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a, b en c, zijn voorzien van:
a. één grootlicht;
b. één dimlicht;
c. één stadslicht.
4. Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,00 m en uitgerust met één achterwiel mogen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen e, f en h, zijn voorzien van:
a. één achterlicht;
b. één remlicht;
c. één niet-driehoekige rode retroreflector.