BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 5.90
Regeling toelatingseisen
1. De gasdichte behuizing moet ten behoeve van de ventilatie van de tankappendages, eventueel door middel van een verbindingsslang en een doorvoerstuk, rechtstreeks in open verbinding staan met de buitenlucht.
2. De ventilatieopening van de gasdichte behuizing moet daar waar deze buiten het motorrijtuig uitmondt naar boven of beneden zijn gericht, echter zodanig dat de opening niet in een wielkast uitmondt en niet is gericht op een warmtebron zoals de uitlaat. Indien de ventilatieopening boven het motorrijtuig uitmondt moet deze opening tegen inwateren zijn beschermd.
3. De verbindingsslang moet zodanig door middel van een klemverbinding aan zowel de gasdichte behuizing als aan het doorvoerstuk zijn bevestigd dat deze een gasdichte verbinding vormt.
2. De ventilatieopening van de gasdichte behuizing moet daar waar deze buiten het motorrijtuig uitmondt naar boven of beneden zijn gericht, echter zodanig dat de opening niet in een wielkast uitmondt en niet is gericht op een warmtebron zoals de uitlaat. Indien de ventilatieopening boven het motorrijtuig uitmondt moet deze opening tegen inwateren zijn beschermd.
3. De verbindingsslang moet zodanig door middel van een klemverbinding aan zowel de gasdichte behuizing als aan het doorvoerstuk zijn bevestigd dat deze een gasdichte verbinding vormt.