BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 9.48
Regeling toelatingseisen
1. De dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,40 m en niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.
2. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van één stadslicht aan de voorzijde, moet dat zijn aangebracht:
a. in het midden;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,60 m boven het wegdek.
3. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van twee stadslichten aan de voorzijde, moeten deze zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,60 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,60 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
4. De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand van niet minder dan 0,60 m;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag de richtingaanwijzer op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
5. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een achterlicht aan de achterzijde, moet dat zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,60 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,60 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
6. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van twee achterlichten aan de achterzijde, moeten deze zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,60 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,60 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
7. Indien het driewielig motorrijtuig is uitgerust met één achterwiel en voorzien is van één remlicht, moet het remlicht zijn aangebracht:
a. in het midden;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,60 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag het remlicht op een hoogte van meer dan 1,60 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
8. Indien het driewielig motorrijtuig is uitgerust met twee achterwielen, moeten de remlichten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,60 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,60 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
9. De niet-driehoekige rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,40 m en niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.
2. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van één stadslicht aan de voorzijde, moet dat zijn aangebracht:
a. in het midden;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,60 m boven het wegdek.
3. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van twee stadslichten aan de voorzijde, moeten deze zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,60 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,60 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
4. De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand van niet minder dan 0,60 m;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag de richtingaanwijzer op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
5. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een achterlicht aan de achterzijde, moet dat zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,60 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,60 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
6. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van twee achterlichten aan de achterzijde, moeten deze zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,60 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,60 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
7. Indien het driewielig motorrijtuig is uitgerust met één achterwiel en voorzien is van één remlicht, moet het remlicht zijn aangebracht:
a. in het midden;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,60 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag het remlicht op een hoogte van meer dan 1,60 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
8. Indien het driewielig motorrijtuig is uitgerust met twee achterwielen, moeten de remlichten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,60 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,60 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
9. De niet-driehoekige rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.