BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 8.44
Regeling toelatingseisen
1. De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
a. door middel van visuele controle, en
b. door te meten met een meetmiddel van voldoende bereik, waarbij het volgende in acht moet worden genomen: 1º indien het voertuig is voorzien van één of meerdere inrichtingen waarmede een as of wiel voor langere tijd ontlast kan worden, is de grootste afstand tussen de beschermingsinrichting aan de achterzijde en het wegdek bepalend;
2º het voertuig is op een horizontaal of nagenoeg horizontaal en vlak wegdek geplaatst;
3º alle wielen zijn in de stand voor rechtuit rijden geplaatst;
4º het voertuig is niet beladen;
5º indien het een oplegger of middenasaanhangwagen betreft, is deze op zodanige wijze op steunen geplaatst dat de laadvloer horizontaal is dan wel overeenkomt met de normale rijstand;
6º de banden zijn op de juiste spanning.
1º indien het voertuig is voorzien van één of meerdere inrichtingen waarmede een as of wiel voor langere tijd ontlast kan worden, is de grootste afstand tussen de beschermingsinrichting aan de achterzijde en het wegdek bepalend;
2º het voertuig is op een horizontaal of nagenoeg horizontaal en vlak wegdek geplaatst;
3º alle wielen zijn in de stand voor rechtuit rijden geplaatst;
4º het voertuig is niet beladen;
5º indien het een oplegger of middenasaanhangwagen betreft, is deze op zodanige wijze op steunen geplaatst dat de laadvloer horizontaal is dan wel overeenkomt met de normale rijstand;
6º de banden zijn op de juiste spanning.
2. De bolling van de band boven het wegdek wordt bij het meten buiten beschouwing gelaten.
a. door middel van visuele controle, en
b. door te meten met een meetmiddel van voldoende bereik, waarbij het volgende in acht moet worden genomen: 1º indien het voertuig is voorzien van één of meerdere inrichtingen waarmede een as of wiel voor langere tijd ontlast kan worden, is de grootste afstand tussen de beschermingsinrichting aan de achterzijde en het wegdek bepalend;
2º het voertuig is op een horizontaal of nagenoeg horizontaal en vlak wegdek geplaatst;
3º alle wielen zijn in de stand voor rechtuit rijden geplaatst;
4º het voertuig is niet beladen;
5º indien het een oplegger of middenasaanhangwagen betreft, is deze op zodanige wijze op steunen geplaatst dat de laadvloer horizontaal is dan wel overeenkomt met de normale rijstand;
6º de banden zijn op de juiste spanning.
1º indien het voertuig is voorzien van één of meerdere inrichtingen waarmede een as of wiel voor langere tijd ontlast kan worden, is de grootste afstand tussen de beschermingsinrichting aan de achterzijde en het wegdek bepalend;
2º het voertuig is op een horizontaal of nagenoeg horizontaal en vlak wegdek geplaatst;
3º alle wielen zijn in de stand voor rechtuit rijden geplaatst;
4º het voertuig is niet beladen;
5º indien het een oplegger of middenasaanhangwagen betreft, is deze op zodanige wijze op steunen geplaatst dat de laadvloer horizontaal is dan wel overeenkomt met de normale rijstand;
6º de banden zijn op de juiste spanning.
2. De bolling van de band boven het wegdek wordt bij het meten buiten beschouwing gelaten.