BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 5.6
Regeling toelatingseisen
1. Een LPG-installatie moet tenminste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
a. een LPG-tank;
b. een 80%-vulklep voorzien van terugslagklep;
c. een niveau-indicator;
d. een veerveiligheid;
e. een automatische afnameklep voorzien van doorstroombegrenzer;
f. een verdamper/drukregelaar, al dan niet gecombineerd;
g. een automatische afsluitklep;
h. een vulaansluiting;
i. gasleidingen en -slangen;
j. gasvoerende verbindingen tussen de LPG-onderdelen;
k. een inspuitstuk dan wel gasmengstuk;
l. een elektronische controle-eenheid, indien het motorrijtuig na 31 december 2001 in gebruik is genomen, en
m. een overdrukvoorziening.
2. De volgende onderdelen kunnen tevens deel uitmaken van de LPG-installatie:
a. een gasdichte kast die de tankappendages omsluit;
b. een terugslagklep;
c. een leidingontlastklep;
d. een gasregeleenheid;
e. een LPG-filtereenheid;
f. een druk-of temperatuursensor;
g. een LPG-brandstofpomp;
h. een spanningdoorvoerbus voor de LPG-tank;
i. een service aansluiting;
j. een brandstofselektiesysteem en elektrisch systeem;
k. een brandstofverdeelblok (fuel rail).
3. De tankappendages, genoemd in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, en de appendage, genoemd in het tweede lid, onder h, mogen met elkaar zijn gecombineerd indien ze als combinatie zijn goedgekeurd.
4. De automatische afsluitklep mag zijn gecombineerd met de verdamper/drukregelaar indien het goedkeuringscertificaat van de verdamper/drukregelaar dit vermeldt.
5. In het gedeelte van de LPG-installatie waar de druk lager is dan 0,2 bar mogen extra onderdelen ten behoeve van het goed functioneren van de motor worden aangebracht.
a. een LPG-tank;
b. een 80%-vulklep voorzien van terugslagklep;
c. een niveau-indicator;
d. een veerveiligheid;
e. een automatische afnameklep voorzien van doorstroombegrenzer;
f. een verdamper/drukregelaar, al dan niet gecombineerd;
g. een automatische afsluitklep;
h. een vulaansluiting;
i. gasleidingen en -slangen;
j. gasvoerende verbindingen tussen de LPG-onderdelen;
k. een inspuitstuk dan wel gasmengstuk;
l. een elektronische controle-eenheid, indien het motorrijtuig na 31 december 2001 in gebruik is genomen, en
m. een overdrukvoorziening.
2. De volgende onderdelen kunnen tevens deel uitmaken van de LPG-installatie:
a. een gasdichte kast die de tankappendages omsluit;
b. een terugslagklep;
c. een leidingontlastklep;
d. een gasregeleenheid;
e. een LPG-filtereenheid;
f. een druk-of temperatuursensor;
g. een LPG-brandstofpomp;
h. een spanningdoorvoerbus voor de LPG-tank;
i. een service aansluiting;
j. een brandstofselektiesysteem en elektrisch systeem;
k. een brandstofverdeelblok (fuel rail).
3. De tankappendages, genoemd in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, en de appendage, genoemd in het tweede lid, onder h, mogen met elkaar zijn gecombineerd indien ze als combinatie zijn goedgekeurd.
4. De automatische afsluitklep mag zijn gecombineerd met de verdamper/drukregelaar indien het goedkeuringscertificaat van de verdamper/drukregelaar dit vermeldt.
5. In het gedeelte van de LPG-installatie waar de druk lager is dan 0,2 bar mogen extra onderdelen ten behoeve van het goed functioneren van de motor worden aangebracht.