BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 7.22
Regeling toelatingseisen
1. De reminrichting van bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1982 doch vóór 1 april 1990, moet voldoen aan de eisen van bijlagen I tot en met VIII van richtlijn 71/320/EEG, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 75/524/EEGen 79/489/EEG.
2. De reminrichting van bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 30 september 1978 doch vóór 1 januari 1983, moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I tot en met VIII van richtlijn 71/320/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 75/524/EEG.
3. De reminrichting van bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 30 september 1975 doch vóór 1 oktober 1978, moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I tot en met VIII van richtlijn 71/320/EEG.
4. Ten aanzien van de in de vorige leden genoemde bijlagen van richtlijnen geldt dat:
a. punt 2.2.1.12 van bijlage I zodanig wordt toegepast dat of aan punt 2.2.1.12.1 of aan punt 2.2.1.12.2 moet zijn voldaan;
b. punt 2.2.1.20 van bijlage I en de punten 1.4 en 1.5 van bijlage II van de richtlijn niet van toepassing zijn;
c. in afwijking van punt 2.1.2.1 van bijlage II, de remvertraging van de hulpreminrichting ten minste 30% van de voor de bedrijfsrem vastgestelde waarde moet bedragen, indien de hulpreminrichting uit een deel van de bedrijfsreminrichting bestaat.
2. De reminrichting van bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 30 september 1978 doch vóór 1 januari 1983, moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I tot en met VIII van richtlijn 71/320/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 75/524/EEG.
3. De reminrichting van bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 30 september 1975 doch vóór 1 oktober 1978, moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I tot en met VIII van richtlijn 71/320/EEG.
4. Ten aanzien van de in de vorige leden genoemde bijlagen van richtlijnen geldt dat:
a. punt 2.2.1.12 van bijlage I zodanig wordt toegepast dat of aan punt 2.2.1.12.1 of aan punt 2.2.1.12.2 moet zijn voldaan;
b. punt 2.2.1.20 van bijlage I en de punten 1.4 en 1.5 van bijlage II van de richtlijn niet van toepassing zijn;
c. in afwijking van punt 2.1.2.1 van bijlage II, de remvertraging van de hulpreminrichting ten minste 30% van de voor de bedrijfsrem vastgestelde waarde moet bedragen, indien de hulpreminrichting uit een deel van de bedrijfsreminrichting bestaat.