BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 8.42
Regeling toelatingseisen
1. De in artikel 8.41bedoelde beschermingsinrichting moet zodanig zijn bevestigd dat bij een botsing optredende krachten naar de langsliggers of wat deze vervangt kunnen worden overgebracht. Hieraan wordt voldaan indien de onder artikel 8.41, tweede lid, genoemde stootbalk is geschoord door middel van geprofileerd materiaal.
2. De onder artikel 8.41, tweede lid, genoemde stootbalk:
a. mag niet breder zijn dan de breedte gemeten over de buitenste zijden van de wielen van de breedste achteras;
b. mag aan weerszijden niet meer dan 0,10 m inspringen ten opzichte van de breedte gemeten over de buitenste zijden van de wielen van de breedste achteras, zoals weergegeven in figuur 16;
c. moet een hoogte hebben van ten minste 0,07 m zoals weergegeven in figuur 18;
d. moet, uitgaande van Fe 37, een weerstandsmoment tegen buiging over de y-as hebben van, zoals weergegeven in figuur 17: 1º ten minste 20 cm² indien de zijwaartse vrije uitsteek maximaal 0,50 m is ten opzichte van de bevestiging dan wel schoring, of
2º ten minste 29 cm², indien de zijwaartse vrije uitsteek maximaal 0,75 m is ten opzichte van de bevestiging dan wel schoring.
1º ten minste 20 cm² indien de zijwaartse vrije uitsteek maximaal 0,50 m is ten opzichte van de bevestiging dan wel schoring, of
2º ten minste 29 cm², indien de zijwaartse vrije uitsteek maximaal 0,75 m is ten opzichte van de bevestiging dan wel schoring.
3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, mag, indien de carrosserie van het voertuig ter plaatse van de achterzijde breder is dan de breedte gemeten over de buitenste zijden van de wielen van de breedste achteras, de stootbalk niet breder zijn dan de breedte van de betreffende carrosserie.
4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel b, mag, indien het voertuig is ingericht voor het vervoer van wissellaadbakken, de stootbalk aan weerszijden meer dan 0,10 m doch niet meer dan 0,20 m inspringen.
5. Indien het een voertuig betreft met een maximum massa van niet meer dan 3500 kg en aan de achterzijde is voorzien van:
a. een verlichtingsbalk van gezet plaatwerk die aan de buitenzijde is geschoord, of
b. een op de langsliggers geschoorde dwarsbalk,
is voldaan aan het tweede lid, onderdeel c en d.
2. De onder artikel 8.41, tweede lid, genoemde stootbalk:
a. mag niet breder zijn dan de breedte gemeten over de buitenste zijden van de wielen van de breedste achteras;
b. mag aan weerszijden niet meer dan 0,10 m inspringen ten opzichte van de breedte gemeten over de buitenste zijden van de wielen van de breedste achteras, zoals weergegeven in figuur 16;
c. moet een hoogte hebben van ten minste 0,07 m zoals weergegeven in figuur 18;
d. moet, uitgaande van Fe 37, een weerstandsmoment tegen buiging over de y-as hebben van, zoals weergegeven in figuur 17: 1º ten minste 20 cm² indien de zijwaartse vrije uitsteek maximaal 0,50 m is ten opzichte van de bevestiging dan wel schoring, of
2º ten minste 29 cm², indien de zijwaartse vrije uitsteek maximaal 0,75 m is ten opzichte van de bevestiging dan wel schoring.
1º ten minste 20 cm² indien de zijwaartse vrije uitsteek maximaal 0,50 m is ten opzichte van de bevestiging dan wel schoring, of
2º ten minste 29 cm², indien de zijwaartse vrije uitsteek maximaal 0,75 m is ten opzichte van de bevestiging dan wel schoring.
3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, mag, indien de carrosserie van het voertuig ter plaatse van de achterzijde breder is dan de breedte gemeten over de buitenste zijden van de wielen van de breedste achteras, de stootbalk niet breder zijn dan de breedte van de betreffende carrosserie.
4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel b, mag, indien het voertuig is ingericht voor het vervoer van wissellaadbakken, de stootbalk aan weerszijden meer dan 0,10 m doch niet meer dan 0,20 m inspringen.
5. Indien het een voertuig betreft met een maximum massa van niet meer dan 3500 kg en aan de achterzijde is voorzien van:
a. een verlichtingsbalk van gezet plaatwerk die aan de buitenzijde is geschoord, of
b. een op de langsliggers geschoorde dwarsbalk,
is voldaan aan het tweede lid, onderdeel c en d.