BWBR0009107
Geldig vanaf 2007-02-13
Artikel 9.57
Regeling toelatingseisen
1. Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
a. het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;
b. een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn;
c. het horizontale gedeelte van de scheidingslijn moet zich bevinden tussen of op de lijnen op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm, die overeenkomen met een daling van de lichtbundel ten opzichte van de horizontale middenlijn van de koplamp van 5 tot 40 mm/m;
d. indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is: 1º moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm;
2º mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte: a. bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
a. bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
1º moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm;
2º mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte: a. bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
a. bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
2. De stadslichten moeten, bij helder weer, zichtbaar zijn voor een waarnemer die zich op een afstand van 200 m vóór het voertuig bevindt.
3. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van één richtingaanwijzer aan elke zijkant, moet:
a. het uitgestraalde licht zichtbaar zijn binnen een hoek van 45° buitenwaarts van de raaklijn, getrokken evenwijdig aan de lengteas en langs de zijkant van het voertuig, van welke hoek het hoekpunt zich bevindt ter plaatse van de bevestiging van de richtingaanwijzer;
b. deze van langwerpige vorm zijn, zodanig dat de grootste breedte ten hoogste 1/3 van de lengte bedraagt en, wanneer zij in werking zijn, hetzij een vaste, nagenoeg horizontale stand aannemen, hetzij op en neer bewegen.
4. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde, moeten deze richtingaanwijzers:
a. bij helder weer en bij brandend achterlicht, duidelijk zichtbaar zijn;
b. indien zij zijn ingeschakeld, een licht uitstralen die automatisch knippert met een frequentie van ten minste 60 maal per minuut en ten hoogste 120 maal minuut;
c. zichtbaar zijn voor een waarnemer die zich op een afstand van 10,0 m voor respectievelijk achter het voertuig bevindt.
5. De achterlichten moeten, bij helder weer, zichtbaar zijn voor een waarnemer die zich op een afstand van 300 m achter het voertuig bevindt.
6. Voor het achterlicht en de richtingaanwijzer mag één gloeilamp worden gebruikt. Gedurende de tijd dat de richtingaanwijzer is ingeschakeld, hoeft het desbetreffende achterlicht niet te branden.
7. De remlichten moeten:
a. duidelijk zichtbaar zijn voor het achteropkomend verkeer zowel bij dag als bij brandend achterlicht;
b. moeten automatisch gaan branden wanneer de bedrijfsrem wordt bediend en mogen alleen gedurende het remmen branden.
8. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van twee achterlichten, dan mag voor het remlicht en de richtingaanwijzer één gloeilamp worden gebruikt.
Gedurende de tijd dat de richtingaanwijzer is ingeschakeld, hoeft het desbetreffende remlicht niet te branden.
9. Het kenteken aan de achterzijde moet op zodanige wijze worden verlicht, dat deze, bij helder weer, goed leesbaar is voor een waarnemer die zich midden achter het voertuig bevindt op een afstand van 20,00 m.
a. het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden;
b. een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn;
c. het horizontale gedeelte van de scheidingslijn moet zich bevinden tussen of op de lijnen op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm, die overeenkomen met een daling van de lichtbundel ten opzichte van de horizontale middenlijn van de koplamp van 5 tot 40 mm/m;
d. indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is: 1º moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm;
2º mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte: a. bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
a. bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
1º moet het horizontale gedeelte van de scheidingslijn zich grotendeels links bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat dan wel op het verlichtingsscherm;
2º mag het snijpunt van het horizontale en het niet-horizontale gedeelte: a. bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
a. bij controle met een koplamptestapparaat niet links van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat vallen, dan wel
b. bij controle met een verlichtingsscherm maximaal 20 mm/m links van de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm vallen.
2. De stadslichten moeten, bij helder weer, zichtbaar zijn voor een waarnemer die zich op een afstand van 200 m vóór het voertuig bevindt.
3. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van één richtingaanwijzer aan elke zijkant, moet:
a. het uitgestraalde licht zichtbaar zijn binnen een hoek van 45° buitenwaarts van de raaklijn, getrokken evenwijdig aan de lengteas en langs de zijkant van het voertuig, van welke hoek het hoekpunt zich bevindt ter plaatse van de bevestiging van de richtingaanwijzer;
b. deze van langwerpige vorm zijn, zodanig dat de grootste breedte ten hoogste 1/3 van de lengte bedraagt en, wanneer zij in werking zijn, hetzij een vaste, nagenoeg horizontale stand aannemen, hetzij op en neer bewegen.
4. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde, moeten deze richtingaanwijzers:
a. bij helder weer en bij brandend achterlicht, duidelijk zichtbaar zijn;
b. indien zij zijn ingeschakeld, een licht uitstralen die automatisch knippert met een frequentie van ten minste 60 maal per minuut en ten hoogste 120 maal minuut;
c. zichtbaar zijn voor een waarnemer die zich op een afstand van 10,0 m voor respectievelijk achter het voertuig bevindt.
5. De achterlichten moeten, bij helder weer, zichtbaar zijn voor een waarnemer die zich op een afstand van 300 m achter het voertuig bevindt.
6. Voor het achterlicht en de richtingaanwijzer mag één gloeilamp worden gebruikt. Gedurende de tijd dat de richtingaanwijzer is ingeschakeld, hoeft het desbetreffende achterlicht niet te branden.
7. De remlichten moeten:
a. duidelijk zichtbaar zijn voor het achteropkomend verkeer zowel bij dag als bij brandend achterlicht;
b. moeten automatisch gaan branden wanneer de bedrijfsrem wordt bediend en mogen alleen gedurende het remmen branden.
8. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van twee achterlichten, dan mag voor het remlicht en de richtingaanwijzer één gloeilamp worden gebruikt.
Gedurende de tijd dat de richtingaanwijzer is ingeschakeld, hoeft het desbetreffende remlicht niet te branden.
9. Het kenteken aan de achterzijde moet op zodanige wijze worden verlicht, dat deze, bij helder weer, goed leesbaar is voor een waarnemer die zich midden achter het voertuig bevindt op een afstand van 20,00 m.