BWBR0035474
Geldig vanaf 2025-11-23
Artikel 4.13.6
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Onverminderd de artikelen 22en 23 van het besluit, beslist de minister afwijzend op een aanvraag, indien:
a. de subsidieverlening in strijd is met het klimaat, milieu- en energiesteunkader;
b. de subsidieaanvrager geen investeerder is in de NIKI-installatie of -installaties waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
c. de investeringskosten minder bedragen dan twintig procent van de volgende som: investeringskosten + verdisconteerde exploitatiekosten – verdisconteerde operationele voordelen;
d. de haalbaarheid, bestaande uit financiële, technische, operationele en markt-haalbaarheid, van het NIKI-project onvoldoende is, blijkend uit de beoordeling van het ingediende projectplan en de vereiste bijlagen, bedoeld in artikel 4.13.10, tweede lid;
e. binnen het NIKI-project een techniek is gedefinieerd: 1°. die onder een categorie opgenomen in de op het moment van indiening van de aanvraag gepubliceerde Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie valt; en
2°. waarbij de investeringskosten voor het toepassen van deze techniek tien procent of meer van de totale investeringskosten, bedoeld in artikel 4.13.4, van het NIKI-project bedragen;
1°. die onder een categorie opgenomen in de op het moment van indiening van de aanvraag gepubliceerde Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie valt; en
2°. waarbij de investeringskosten voor het toepassen van deze techniek tien procent of meer van de totale investeringskosten, bedoeld in artikel 4.13.4, van het NIKI-project bedragen;
f. door de aanvrager voor een techniek die binnen het NIKI-project is gedefinieerd subsidie aangevraagd is op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;
g. het bod meer dan € 300/ton CO2 bedraagt;
h. de opgevoerde kosten niet aannemelijk zijn;
i. een ongeschikt referentieproduct is gekozen;
j. de berekening van de CO2-emissiereductie: 1°. niet of in onvoldoende mate volgens de voorgeschreven methode in de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI CO2-emissiereductiemethode is uitgevoerd, blijkend uit de keuzes en onderbouwingen van de subsidieaanvrager;
2°. onvoldoende nauwkeurig is, blijkend uit de kwaliteit van de gebruikte data en bronnen;
1°. niet of in onvoldoende mate volgens de voorgeschreven methode in de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI CO2-emissiereductiemethode is uitgevoerd, blijkend uit de keuzes en onderbouwingen van de subsidieaanvrager;
2°. onvoldoende nauwkeurig is, blijkend uit de kwaliteit van de gebruikte data en bronnen;
k. subsidie wordt aangevraagd voor een investering in een NIKI-installatie of -installaties die: 1°. de subsidieaanvrager in staat stelt alleen te voldoen aan bindende Unienormen die reeds van kracht zijn; of
2°. niet verder gaat dan de gevestigde commerciële praktijk die algemeen in de gehele Unie en in alle technologieën wordt toegepast;
1°. de subsidieaanvrager in staat stelt alleen te voldoen aan bindende Unienormen die reeds van kracht zijn; of
2°. niet verder gaat dan de gevestigde commerciële praktijk die algemeen in de gehele Unie en in alle technologieën wordt toegepast;
l. het niet aannemelijk is dat de NIKI-installatie of -installaties waarvoor subsidie is aangevraagd na tien jaar exploitatie zonder subsidie operationeel blijft respectievelijk blijven;
m. het NIKI-project niet past in een reeks activiteiten die uiterlijk in 2050 bij de aanvrager zal leiden tot een fossielvrije klimaat-neutrale productie blijkend uit het klimaatplan, bedoeld in artikel 4.13.10, derde lid;
n. het NIKI-project niet voldoet aan het principe van Do No Significant Harm;
o. het NIKI-project hoofdzakelijk gericht is op de aanleg van infrastructuur;
p. het NIKI-project gericht is op de productie van energie uit warmtekrachtkoppeling;
q. binnen het NIKI-project fossiele brandstoffen worden ingezet in het kader van een nieuwe installatie. Uitgezonderd zijn investeringen in het gebruik van aardgas, als de investering bijdraagt aan het behalen van de klimaatdoelstelling van de Europese Unie voor 2030 en de doelstelling van een klimaatneutrale Europese Unie tegen 2050;
r. het NIKI-product voor meer dan tien procent van de totale uitgaande massa van het productieproces als brandstof wordt ingezet. Indien de productie van het NIKI-product volledig gebaseerd is op koolstof die gewonnen is uit Direct Air Capture, mag meer dan tien procent van de productie output als synthetische brandstof worden ingezet.
a. de subsidieverlening in strijd is met het klimaat, milieu- en energiesteunkader;
b. de subsidieaanvrager geen investeerder is in de NIKI-installatie of -installaties waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
c. de investeringskosten minder bedragen dan twintig procent van de volgende som: investeringskosten + verdisconteerde exploitatiekosten – verdisconteerde operationele voordelen;
d. de haalbaarheid, bestaande uit financiële, technische, operationele en markt-haalbaarheid, van het NIKI-project onvoldoende is, blijkend uit de beoordeling van het ingediende projectplan en de vereiste bijlagen, bedoeld in artikel 4.13.10, tweede lid;
e. binnen het NIKI-project een techniek is gedefinieerd: 1°. die onder een categorie opgenomen in de op het moment van indiening van de aanvraag gepubliceerde Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie valt; en
2°. waarbij de investeringskosten voor het toepassen van deze techniek tien procent of meer van de totale investeringskosten, bedoeld in artikel 4.13.4, van het NIKI-project bedragen;
1°. die onder een categorie opgenomen in de op het moment van indiening van de aanvraag gepubliceerde Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie valt; en
2°. waarbij de investeringskosten voor het toepassen van deze techniek tien procent of meer van de totale investeringskosten, bedoeld in artikel 4.13.4, van het NIKI-project bedragen;
f. door de aanvrager voor een techniek die binnen het NIKI-project is gedefinieerd subsidie aangevraagd is op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;
g. het bod meer dan € 300/ton CO2 bedraagt;
h. de opgevoerde kosten niet aannemelijk zijn;
i. een ongeschikt referentieproduct is gekozen;
j. de berekening van de CO2-emissiereductie: 1°. niet of in onvoldoende mate volgens de voorgeschreven methode in de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI CO2-emissiereductiemethode is uitgevoerd, blijkend uit de keuzes en onderbouwingen van de subsidieaanvrager;
2°. onvoldoende nauwkeurig is, blijkend uit de kwaliteit van de gebruikte data en bronnen;
1°. niet of in onvoldoende mate volgens de voorgeschreven methode in de op het moment van indiening van de aanvraag geldende NIKI CO2-emissiereductiemethode is uitgevoerd, blijkend uit de keuzes en onderbouwingen van de subsidieaanvrager;
2°. onvoldoende nauwkeurig is, blijkend uit de kwaliteit van de gebruikte data en bronnen;
k. subsidie wordt aangevraagd voor een investering in een NIKI-installatie of -installaties die: 1°. de subsidieaanvrager in staat stelt alleen te voldoen aan bindende Unienormen die reeds van kracht zijn; of
2°. niet verder gaat dan de gevestigde commerciële praktijk die algemeen in de gehele Unie en in alle technologieën wordt toegepast;
1°. de subsidieaanvrager in staat stelt alleen te voldoen aan bindende Unienormen die reeds van kracht zijn; of
2°. niet verder gaat dan de gevestigde commerciële praktijk die algemeen in de gehele Unie en in alle technologieën wordt toegepast;
l. het niet aannemelijk is dat de NIKI-installatie of -installaties waarvoor subsidie is aangevraagd na tien jaar exploitatie zonder subsidie operationeel blijft respectievelijk blijven;
m. het NIKI-project niet past in een reeks activiteiten die uiterlijk in 2050 bij de aanvrager zal leiden tot een fossielvrije klimaat-neutrale productie blijkend uit het klimaatplan, bedoeld in artikel 4.13.10, derde lid;
n. het NIKI-project niet voldoet aan het principe van Do No Significant Harm;
o. het NIKI-project hoofdzakelijk gericht is op de aanleg van infrastructuur;
p. het NIKI-project gericht is op de productie van energie uit warmtekrachtkoppeling;
q. binnen het NIKI-project fossiele brandstoffen worden ingezet in het kader van een nieuwe installatie. Uitgezonderd zijn investeringen in het gebruik van aardgas, als de investering bijdraagt aan het behalen van de klimaatdoelstelling van de Europese Unie voor 2030 en de doelstelling van een klimaatneutrale Europese Unie tegen 2050;
r. het NIKI-product voor meer dan tien procent van de totale uitgaande massa van het productieproces als brandstof wordt ingezet. Indien de productie van het NIKI-product volledig gebaseerd is op koolstof die gewonnen is uit Direct Air Capture, mag meer dan tien procent van de productie output als synthetische brandstof worden ingezet.