BWBR0035474
Geldig vanaf 2025-11-23
Artikel 2.10.6
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
1. De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.
2. De minister rangschikt aanvragen van subsidie voor kassen en kasenergiesystemen als bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, hoger naarmate deze investering naar het oordeel van de minister:
a. meer bijdraagt aan klimaat-neutrale glastuinbouw door: 1°. een zo laag mogelijk gebruik van primaire energie; en
2°. een zo laag mogelijke CO2-uitstoot;
1°. een zo laag mogelijk gebruik van primaire energie; en
2°. een zo laag mogelijke CO2-uitstoot;
b. meer bijdraagt aan de kennisontwikkeling in de glastuinbouwsector;
c. meer technisch, teelt-technisch en economisch perspectief heeft; en
d. gericht is op teelt-technisch of economisch inpasbare systemen die een hoger niveau van ontwikkeling of doorontwikkeling vertegenwoordigen.
3. Onverminderd het tweede lid rangschikt de minister aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, hoger voor zover deze aanvraag een investering in een kas betreft.
4. Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, toegevoegd.
2. De minister rangschikt aanvragen van subsidie voor kassen en kasenergiesystemen als bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, hoger naarmate deze investering naar het oordeel van de minister:
a. meer bijdraagt aan klimaat-neutrale glastuinbouw door: 1°. een zo laag mogelijk gebruik van primaire energie; en
2°. een zo laag mogelijke CO2-uitstoot;
1°. een zo laag mogelijk gebruik van primaire energie; en
2°. een zo laag mogelijke CO2-uitstoot;
b. meer bijdraagt aan de kennisontwikkeling in de glastuinbouwsector;
c. meer technisch, teelt-technisch en economisch perspectief heeft; en
d. gericht is op teelt-technisch of economisch inpasbare systemen die een hoger niveau van ontwikkeling of doorontwikkeling vertegenwoordigen.
3. Onverminderd het tweede lid rangschikt de minister aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, hoger voor zover deze aanvraag een investering in een kas betreft.
4. Indien blijkt dat het totale bedrag van de te verlenen subsidies voor projecten als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, lager is dan het daarvoor vastgestelde subsidieplafond, wordt het overblijvende bedrag zo nodig aan het subsidieplafond voor projecten als bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, toegevoegd.