BWBR0035474
Geldig vanaf 2025-11-23
Artikel 2.16.2
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een samenwerkingsverband voor de uitvoering van een innovatieproject en de verspreiding van de resultaten daarvan.
2. Het innovatieproject richt zich op:
a. vangsttechnieken of vistuigen die: 1°. de selectiviteit vergroten;
2°. minder bodemberoering tot gevolg hebben; of
3°. de kwaliteit van de vangst of het dierenwelzijn verbeteren; of
1°. de selectiviteit vergroten;
2°. minder bodemberoering tot gevolg hebben; of
3°. de kwaliteit van de vangst of het dierenwelzijn verbeteren; of
b. scheepstechnieken die bijdragen aan: 1°. de flexibilisering van vismethoden;
2°. de vermindering van brandstofverbruik; of
3°. de vermindering van emissies van verontreinigende stoffen of broeikasgassen; of
1°. de flexibilisering van vismethoden;
2°. de vermindering van brandstofverbruik; of
3°. de vermindering van emissies van verontreinigende stoffen of broeikasgassen; of
c. het ontwikkelen van een alternatief voor vispluis.
3. Een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid bestaat uit een onderzoeksorganisatie en ten minste een van onderstaande partijen:
a. een visserijonderneming;
b. een visserijorganisatie;
c. een algemeen nut beogende instelling; of
d. een marktdeelnemer.
2. Het innovatieproject richt zich op:
a. vangsttechnieken of vistuigen die: 1°. de selectiviteit vergroten;
2°. minder bodemberoering tot gevolg hebben; of
3°. de kwaliteit van de vangst of het dierenwelzijn verbeteren; of
1°. de selectiviteit vergroten;
2°. minder bodemberoering tot gevolg hebben; of
3°. de kwaliteit van de vangst of het dierenwelzijn verbeteren; of
b. scheepstechnieken die bijdragen aan: 1°. de flexibilisering van vismethoden;
2°. de vermindering van brandstofverbruik; of
3°. de vermindering van emissies van verontreinigende stoffen of broeikasgassen; of
1°. de flexibilisering van vismethoden;
2°. de vermindering van brandstofverbruik; of
3°. de vermindering van emissies van verontreinigende stoffen of broeikasgassen; of
c. het ontwikkelen van een alternatief voor vispluis.
3. Een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid bestaat uit een onderzoeksorganisatie en ten minste een van onderstaande partijen:
a. een visserijonderneming;
b. een visserijorganisatie;
c. een algemeen nut beogende instelling; of
d. een marktdeelnemer.