BWBR0035474
Geldig vanaf 2025-11-23
Artikel 3.5.3
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
1. De subsidie voor een Nederlands CEF-project bedraagt:
a. voor economische activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel a: 1°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op industrieel onderzoek;
2°. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;
3°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur;
4°. het deel van de subsidiabele kosten dat niet gefinancierd wordt door de Europese Commissie op grond van de Europese subsidieovereenkomst of door andere derden, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op investeringsactiviteiten in de uitrol van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk of een onderzees kabelnetwerk;
1°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op industrieel onderzoek;
2°. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;
3°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur;
4°. het deel van de subsidiabele kosten dat niet gefinancierd wordt door de Europese Commissie op grond van de Europese subsidieovereenkomst of door andere derden, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op investeringsactiviteiten in de uitrol van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk of een onderzees kabelnetwerk;
b. voor niet-economische activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel b: 100% van de subsidiabele kosten.
2. De subsidie bedraagt ten hoogste € 5.000.000 per Nederlands CEF-project.
3. Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluitworden bij het verlenen van subsidie op basis van deze titel de financiële bijdragen van de Europese Commissie of andere bestuursorganen aangemerkt als publieke cofinanciering en buiten beschouwing gelaten:
a. indien de totale som van de door de minister, de Europese Commissie of andere bestuursorganen verstrekte subsidie voor de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, niet hoger ligt dan 100% van de subsidiabele kosten of, voor zover van toepassing, het maximum percentage of het bedrag dat is opgenomen in het toepasselijke werkprogramma; en
b. indien het economische activiteiten bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, betreft, en het deel van de door de minister of andere bestuursorganen verstrekte subsidie niet meer bedraagt dan de toepasselijke drempelbedragen of percentages van de subsidiabele kosten en, voor zover van toepassing, voldaan wordt aan de aan de ophoging verbonden voorwaarden, die zijn opgenomen in de volgende bepalingen van de Algemene groepsvrijstellingsverordening: 1°. voor industrieel onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder II, en 25, zesde lid, onderdelen a of b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
2°. voor experimentele ontwikkeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder III, en 25, zesde lid, onderdelen a of b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
3°. voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 3°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel j, en 26, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
4°. voor investeringsactiviteiten in de uitrol van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk of een onderzees kabelnetwerk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 4°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel y ter, en 52 ter, derde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
1°. voor industrieel onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder II, en 25, zesde lid, onderdelen a of b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
2°. voor experimentele ontwikkeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder III, en 25, zesde lid, onderdelen a of b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
3°. voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 3°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel j, en 26, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
4°. voor investeringsactiviteiten in de uitrol van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk of een onderzees kabelnetwerk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 4°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel y ter, en 52 ter, derde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
a. voor economische activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel a: 1°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op industrieel onderzoek;
2°. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;
3°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur;
4°. het deel van de subsidiabele kosten dat niet gefinancierd wordt door de Europese Commissie op grond van de Europese subsidieovereenkomst of door andere derden, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op investeringsactiviteiten in de uitrol van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk of een onderzees kabelnetwerk;
1°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op industrieel onderzoek;
2°. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;
3°. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur;
4°. het deel van de subsidiabele kosten dat niet gefinancierd wordt door de Europese Commissie op grond van de Europese subsidieovereenkomst of door andere derden, voor zover deze subsidiabele kosten betrekking hebben op investeringsactiviteiten in de uitrol van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk of een onderzees kabelnetwerk;
b. voor niet-economische activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel b: 100% van de subsidiabele kosten.
2. De subsidie bedraagt ten hoogste € 5.000.000 per Nederlands CEF-project.
3. Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluitworden bij het verlenen van subsidie op basis van deze titel de financiële bijdragen van de Europese Commissie of andere bestuursorganen aangemerkt als publieke cofinanciering en buiten beschouwing gelaten:
a. indien de totale som van de door de minister, de Europese Commissie of andere bestuursorganen verstrekte subsidie voor de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, niet hoger ligt dan 100% van de subsidiabele kosten of, voor zover van toepassing, het maximum percentage of het bedrag dat is opgenomen in het toepasselijke werkprogramma; en
b. indien het economische activiteiten bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, betreft, en het deel van de door de minister of andere bestuursorganen verstrekte subsidie niet meer bedraagt dan de toepasselijke drempelbedragen of percentages van de subsidiabele kosten en, voor zover van toepassing, voldaan wordt aan de aan de ophoging verbonden voorwaarden, die zijn opgenomen in de volgende bepalingen van de Algemene groepsvrijstellingsverordening: 1°. voor industrieel onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder II, en 25, zesde lid, onderdelen a of b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
2°. voor experimentele ontwikkeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder III, en 25, zesde lid, onderdelen a of b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
3°. voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 3°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel j, en 26, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
4°. voor investeringsactiviteiten in de uitrol van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk of een onderzees kabelnetwerk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 4°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel y ter, en 52 ter, derde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
1°. voor industrieel onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder II, en 25, zesde lid, onderdelen a of b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
2°. voor experimentele ontwikkeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel i, onder III, en 25, zesde lid, onderdelen a of b, onder i of ii, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
3°. voor de bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 3°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel j, en 26, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
4°. voor investeringsactiviteiten in de uitrol van een grensoverschrijdend traject van een backbonenetwerk of een onderzees kabelnetwerk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 4°: artikelen 4, eerste lid, onderdeel y ter, en 52 ter, derde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.