BWBR0035474
Geldig vanaf 2025-11-23
Artikel 3.30.3
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
1. De subsidie bedraagt voor een Circular Plastics NL-project:
a. 50% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;
b. 25% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groesvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;
c. 40% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op een investering ten behoeve van hulpbronnenefficiëntie en een circulaire economie;
d. 80% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties;
e. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisatie met een maximum van € 25.000,– voor een Circular Plastics NL-showcase en € 50.000,– voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject;
f. 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op overige projectactiviteiten, met een maximum van € 25.000,– voor een Circular Plastics NL-showcase en € 50.000,– voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject.
2. De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen a, b en c, worden verhoogd met:
a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; of
b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming.
3. De subsidie voor een Circular Plastics NL-project opgenomen in bijlage 3.30.1bedraagt ten hoogste:
a. € 1.500.000,– voor een onderzoeksproject;
b. € 3.000.000,– voor een showcase in een pilotproject;
c. € 7.500.000,– voor een showcase met een onderdeel investering in een CPNL-demonstratieproject.
4. Onverminderd het derde en vierde lid bedraagt de subsidie, voor zover het overige projectactiviteiten betreft die door een onderneming worden uitgevoerd, per onderneming in een samenwerkingsverband ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening.
a. 50% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;
b. 25% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groesvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;
c. 40% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 47, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, voor zover deze betrekking hebben op een investering ten behoeve van hulpbronnenefficiëntie en een circulaire economie;
d. 80% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op niet-economische activiteiten van onderzoeksorganisaties;
e. 100% van de subsidiabele kosten voor zover deze betrekking hebben op overige niet-economische projectactiviteiten van onderzoeksorganisatie met een maximum van € 25.000,– voor een Circular Plastics NL-showcase en € 50.000,– voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject;
f. 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op overige projectactiviteiten, met een maximum van € 25.000,– voor een Circular Plastics NL-showcase en € 50.000,– voor een Circular Plastics NL-onderzoeksproject.
2. De percentages, genoemd in het eerste lid, onderdelen a, b en c, worden verhoogd met:
a. 10 procentpunten, indien de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de middelgrote onderneming; of
b. 20 procentpunten, indien de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door de kleine onderneming.
3. De subsidie voor een Circular Plastics NL-project opgenomen in bijlage 3.30.1bedraagt ten hoogste:
a. € 1.500.000,– voor een onderzoeksproject;
b. € 3.000.000,– voor een showcase in een pilotproject;
c. € 7.500.000,– voor een showcase met een onderdeel investering in een CPNL-demonstratieproject.
4. Onverminderd het derde en vierde lid bedraagt de subsidie, voor zover het overige projectactiviteiten betreft die door een onderneming worden uitgevoerd, per onderneming in een samenwerkingsverband ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de algemene de-minimisverordening.