BWBR0035474
Geldig vanaf 2025-11-23
Artikel 2.28.7
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, indien:
a. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de intermediaire onderneming gedurende de looptijd van het investeringsproject volledige zeggenschap heeft over het investeringsproject;
b. de intermediaire onderneming niet beschikt over: 1°. een geldige registratie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
2°. de vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het investeringsproject;
1°. een geldige registratie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
2°. de vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het investeringsproject;
c. het investeringsproject niet een werkingsprincipe of basistechniek betreft, zoals opgenomen in bijlage 2.28.1;
d. de bewerkingscapaciteit door het investeringsproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet toeneemt;
e. de voor subsidie in aanmerking komende kosten lager zijn dan € 150.000; of
f. uit de beschrijving van het mestbewerkingsproces blijkt dat de massa van te bewerken mest voor meer dan 50% uit pluimveemest bestaat.
a. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de intermediaire onderneming gedurende de looptijd van het investeringsproject volledige zeggenschap heeft over het investeringsproject;
b. de intermediaire onderneming niet beschikt over: 1°. een geldige registratie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
2°. de vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het investeringsproject;
1°. een geldige registratie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;
2°. de vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het investeringsproject;
c. het investeringsproject niet een werkingsprincipe of basistechniek betreft, zoals opgenomen in bijlage 2.28.1;
d. de bewerkingscapaciteit door het investeringsproject waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet toeneemt;
e. de voor subsidie in aanmerking komende kosten lager zijn dan € 150.000; of
f. uit de beschrijving van het mestbewerkingsproces blijkt dat de massa van te bewerken mest voor meer dan 50% uit pluimveemest bestaat.