BWBR0035474
Geldig vanaf 2025-11-23
Artikel 7
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
1. De Staat en de Begunstigde komen overeen dat de overeengekomen verplichtingen om te dulden of niet te doen ten aanzien van het Terrein zullen overgaan op diegenen die het desbetreffende goed onder bijzondere titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn degenen, die van de rechthebbende op het desbetreffende goed een recht tot gebruik van het goed zullen verkrijgen. De Staat en de Begunstigde geven elkaar over en weer een onherroepelijke volmacht om de inhoud van deze overeenkomst daartoe als beding in de zin van artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboekin te schrijven in de desbetreffende (openbare) registers op de wijze, zoals de toepasselijke wetten dit voorschrijven. Deze volmacht is als onderdeel van deze overeenkomst onherroepelijk en vervalt niet door overlijden of onbekwaamheid van de Begunstigde of beperkt gerechtigde.
2. Indien en voor zover één of meer bepalingen in artikel 3 van deze overeenkomst niet kunnen kwalificeren als kwalitatieve verplichtingen als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, zal de Begunstigde (alsmede diens rechtsopvolgers) jegens de Staat verplicht zijn de betreffende verplichtingen bij overdracht van het Terrein als kettingbeding op te leggen aan opvolgende eigenaar(s) en door deze te doen aanvaarden en voorts de daaruit voor de Staat voortvloeiende rechten namens de Staat aan te nemen. In verband met dit kettingbeding is Begunstigde (alsmede diens rechtsopvolgers) jegens de Staat verplicht om de bepalingen in artikel 3 van deze overeenkomst, in iedere akte van overdracht letterlijk aan te halen.
2. Indien en voor zover één of meer bepalingen in artikel 3 van deze overeenkomst niet kunnen kwalificeren als kwalitatieve verplichtingen als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, zal de Begunstigde (alsmede diens rechtsopvolgers) jegens de Staat verplicht zijn de betreffende verplichtingen bij overdracht van het Terrein als kettingbeding op te leggen aan opvolgende eigenaar(s) en door deze te doen aanvaarden en voorts de daaruit voor de Staat voortvloeiende rechten namens de Staat aan te nemen. In verband met dit kettingbeding is Begunstigde (alsmede diens rechtsopvolgers) jegens de Staat verplicht om de bepalingen in artikel 3 van deze overeenkomst, in iedere akte van overdracht letterlijk aan te halen.