BWBR0035474
Geldig vanaf 2025-11-23
Artikel 4.10.4
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
1. Voor subsidie komen de investeringskosten, bedoeld in artikel 46, zesde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking.
2. In aanvulling op het eerste lid komen voor subsidie alleen de kosten in aanmerking voor zover deze betrekking hebben op investeringen:
a. in het warmtenet ten behoeve van levering van warmte aan kleinverbruikersaansluitingen in de bestaande bouw; en
b. in het warmtenet tot aan de gevel van een object met een blokaansluiting; en
c. in een systeem voor thermische opslag, indien deze gebruik maakt van bewezen technieken en thermische energie opslaat en levert aan het energie-efficiënte warmtenet.
3. De volgende kosten komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:
a. kosten ten behoeve van investeringen in een warmtebron, warmtepomp of een binneninstallatie;
b. kosten die niet te activeren zijn en rechtstreeks in de winst- en verliesrekening worden verantwoord;
c. kosten ten behoeve van een investering in onderdelen die uitsluitend ten behoeve van grootverbruikers, proceswarmte of nieuwbouw worden aangelegd.
4. Voor de berekening van de subsidiabele kosten is de vaste-uurtarief-systematiek, bedoeld in artikel 14 van het besluit, aangewezen. Het vast uurtarief bedraagt € 65,–.
5. Op de subsidiabele kosten is artikel 10, derde lid, van het besluitniet van toepassing.
2. In aanvulling op het eerste lid komen voor subsidie alleen de kosten in aanmerking voor zover deze betrekking hebben op investeringen:
a. in het warmtenet ten behoeve van levering van warmte aan kleinverbruikersaansluitingen in de bestaande bouw; en
b. in het warmtenet tot aan de gevel van een object met een blokaansluiting; en
c. in een systeem voor thermische opslag, indien deze gebruik maakt van bewezen technieken en thermische energie opslaat en levert aan het energie-efficiënte warmtenet.
3. De volgende kosten komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:
a. kosten ten behoeve van investeringen in een warmtebron, warmtepomp of een binneninstallatie;
b. kosten die niet te activeren zijn en rechtstreeks in de winst- en verliesrekening worden verantwoord;
c. kosten ten behoeve van een investering in onderdelen die uitsluitend ten behoeve van grootverbruikers, proceswarmte of nieuwbouw worden aangelegd.
4. Voor de berekening van de subsidiabele kosten is de vaste-uurtarief-systematiek, bedoeld in artikel 14 van het besluit, aangewezen. Het vast uurtarief bedraagt € 65,–.
5. Op de subsidiabele kosten is artikel 10, derde lid, van het besluitniet van toepassing.