BWBR0035474
Geldig vanaf 2025-11-23
Artikel 2.26.9
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
1. De subsidieontvanger is verplicht om vóór de aanvraag tot subsidievaststelling ervoor zorg te dragen dat:
a. het vissersvaartuig is gesloopt;
b. de teboekstelling van het vissersvaartuig in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, is doorgehaald overeenkomstig artikel 195 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;
c. het sloopbedrijf een sloopverklaring afgeeft waarvoor door de minister een model ter beschikking wordt gesteld; en
d. overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998, mededeling wordt gedaan dat het vissersvaartuig niet meer gebruikt wordt als vissersvaartuig en is gesloopt.
2. De subsidieontvanger schrijft vanaf de dag dat de subsidie is aangevraagd tot en met vijf jaar en vier weken na de datum van de subsidievaststelling geen vissersvaartuig in het visserijregister in.
3. In de termijn, genoemd in het tweede lid, verhoogt de subsidieontvanger niet de vangstcapaciteit van een ander vaartuig, vraagt hiervoor geen visvergunning aan en vraagt geen garnalenvergunning voor een ander vaartuig aan.
4. Indien de subsidieontvanger deel uitmaakt van een groep, draagt de subsidieontvanger er tevens zorg voor dat de andere ondernemingen die deel uitmaken van die groep, of die binnen vijf jaar en vier weken na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling deel uitmaken van die groep, tot en met vijf jaar en vier weken na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in het tweede en derde lid.
5. De verplichtingen, genoemd in het eerste tot en met vierde lid, berusten in het geval van opheffing van de rechtspersoon die de subsidieontvanger is, gedurende de in die leden genoemde periode, bij de uiteindelijk begunstigde of de uiteindelijk begunstigden van de subsidie.
6. De verplichtingen, genoemd in het eerste lid, gelden niet in de situatie, bedoeld in artikel 2.26.10, vierde lid.
7. De subsidieontvanger onthoudt zich tot vijf jaar en vier weken na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling van gedragingen die leiden tot situaties, genoemd in onderdelen 61 en 136 van het visserijsteunkader.
8. De verplichtingen van de artikelen 39en 40 van het besluitzijn niet van toepassing.
9. De subsidieontvanger besteedt de subsidie niet aan de vervanging of modernisering van een hoofd- of hulpmotor van een vissersvaartuig, tenzij wordt voldaan aan de in artikel 18 van verordening (EU) 2021/1139gestelde eisen.
a. het vissersvaartuig is gesloopt;
b. de teboekstelling van het vissersvaartuig in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, is doorgehaald overeenkomstig artikel 195 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;
c. het sloopbedrijf een sloopverklaring afgeeft waarvoor door de minister een model ter beschikking wordt gesteld; en
d. overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998, mededeling wordt gedaan dat het vissersvaartuig niet meer gebruikt wordt als vissersvaartuig en is gesloopt.
2. De subsidieontvanger schrijft vanaf de dag dat de subsidie is aangevraagd tot en met vijf jaar en vier weken na de datum van de subsidievaststelling geen vissersvaartuig in het visserijregister in.
3. In de termijn, genoemd in het tweede lid, verhoogt de subsidieontvanger niet de vangstcapaciteit van een ander vaartuig, vraagt hiervoor geen visvergunning aan en vraagt geen garnalenvergunning voor een ander vaartuig aan.
4. Indien de subsidieontvanger deel uitmaakt van een groep, draagt de subsidieontvanger er tevens zorg voor dat de andere ondernemingen die deel uitmaken van die groep, of die binnen vijf jaar en vier weken na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling deel uitmaken van die groep, tot en met vijf jaar en vier weken na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in het tweede en derde lid.
5. De verplichtingen, genoemd in het eerste tot en met vierde lid, berusten in het geval van opheffing van de rechtspersoon die de subsidieontvanger is, gedurende de in die leden genoemde periode, bij de uiteindelijk begunstigde of de uiteindelijk begunstigden van de subsidie.
6. De verplichtingen, genoemd in het eerste lid, gelden niet in de situatie, bedoeld in artikel 2.26.10, vierde lid.
7. De subsidieontvanger onthoudt zich tot vijf jaar en vier weken na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling van gedragingen die leiden tot situaties, genoemd in onderdelen 61 en 136 van het visserijsteunkader.
8. De verplichtingen van de artikelen 39en 40 van het besluitzijn niet van toepassing.
9. De subsidieontvanger besteedt de subsidie niet aan de vervanging of modernisering van een hoofd- of hulpmotor van een vissersvaartuig, tenzij wordt voldaan aan de in artikel 18 van verordening (EU) 2021/1139gestelde eisen.