BWBR0035474
Geldig vanaf 2025-11-23
Artikel 2.27.8
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
De Minister beslist afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening voor een project bedoeld in artikel 2.27.2, eerste en vijfde lid, indien:
a. de subsidie minder bedraagt dan € 100.000 per project;
b. in de aanvraag onvoldoende is onderbouwd hoe het project bijdraagt aan het realiseren van verbetering van de afzet van biologische landbouwproducten;
c. op grond van: 1°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, minder dan zeven punten zijn toegekend;
2°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, minder dan zes punten zijn toegekend;
3°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, minder dan zes punten zijn toegekend;
4°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, minder dan vier punten zijn toegekend;
1°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, minder dan zeven punten zijn toegekend;
2°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, minder dan zes punten zijn toegekend;
3°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, minder dan zes punten zijn toegekend;
4°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, minder dan vier punten zijn toegekend;
d. voor het project op grond van titel 5.6 van de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021 reeds subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan;
e. in het biologisch samenwerkingsverband een onderzoeksorganisatie deelneemt;
f. indien de subsidie aan een deelnemer van een biologisch samenwerkingsverband op grond van artikel 2.27.4 minder bedraagt dan € 25.000 per project;
g. met de uitvoering van het project is gestart voordat de aanvraag om subsidie is ingediend;
h. het project betrekking heeft op de ontwikkeling van korte toeleveringsketens, als bedoeld in artikel 32, zesde lid, onder d en e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw waarbij er tussen de landbouwer en de consument meer dan één intermediair is;
i. de verlening van subsidie in strijd zou zijn met de artikelen 206 tot en met 210 bis van Verordening (EU) nr. 1308/2013;
j. de verlening van subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 21, 24 of 32 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
k. de in artikel 2.27.4, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3°, bedoelde publicatie verwijst naar een specifieke onderneming, merknaam of oorsprong als bedoeld in artikel 24, derde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
l. de subsidie gebruikt wordt om de prijs van biologische landbouwproducten te verlagen.
a. de subsidie minder bedraagt dan € 100.000 per project;
b. in de aanvraag onvoldoende is onderbouwd hoe het project bijdraagt aan het realiseren van verbetering van de afzet van biologische landbouwproducten;
c. op grond van: 1°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, minder dan zeven punten zijn toegekend;
2°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, minder dan zes punten zijn toegekend;
3°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, minder dan zes punten zijn toegekend;
4°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, minder dan vier punten zijn toegekend;
1°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, minder dan zeven punten zijn toegekend;
2°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, minder dan zes punten zijn toegekend;
3°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, minder dan zes punten zijn toegekend;
4°. artikel 2.27.9, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, minder dan vier punten zijn toegekend;
d. voor het project op grond van titel 5.6 van de Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021 reeds subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan;
e. in het biologisch samenwerkingsverband een onderzoeksorganisatie deelneemt;
f. indien de subsidie aan een deelnemer van een biologisch samenwerkingsverband op grond van artikel 2.27.4 minder bedraagt dan € 25.000 per project;
g. met de uitvoering van het project is gestart voordat de aanvraag om subsidie is ingediend;
h. het project betrekking heeft op de ontwikkeling van korte toeleveringsketens, als bedoeld in artikel 32, zesde lid, onder d en e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw waarbij er tussen de landbouwer en de consument meer dan één intermediair is;
i. de verlening van subsidie in strijd zou zijn met de artikelen 206 tot en met 210 bis van Verordening (EU) nr. 1308/2013;
j. de verlening van subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 21, 24 of 32 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
k. de in artikel 2.27.4, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 3°, bedoelde publicatie verwijst naar een specifieke onderneming, merknaam of oorsprong als bedoeld in artikel 24, derde lid, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
l. de subsidie gebruikt wordt om de prijs van biologische landbouwproducten te verlagen.