BWBR0035474
Geldig vanaf 2025-11-23
Artikel 2.27.2
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
1. De Minister verleent op aanvraag van een penvoerder subsidie aan een deelnemer in een biologisch samenwerkingsverband voor de uitvoering van een project, als bedoeld in artikel 32, zesde lid, onder a tot en met e, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw dat gericht is op het vergroten van de afzet van biologische landbouwproducten.
2. Een deelnemer in een biologisch samenwerkingsverband komt uitsluitend voor subsidie als bedoeld in het eerste lid in aanmerking, indien:
a. de deelnemer een kleine, middelgrote of micro-onderneming is als bedoeld in artikel 2, onderdeel 52, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
b. de deelnemer overeenkomstig artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 in het handelsregister is ingeschreven;
c. de deelnemer gedurende de looptijd van de module aan ten hoogste twee projecten als bedoeld in het eerste lid deelneemt;
d. aan de deelnemer ten hoogste twee maal subsidie op grond van het eerste lid is verstrekt.
3. De penvoerder is deelnemer van het biologisch samenwerkingsverband.
4. Indien in een biologisch samenwerkingsverband een landbouwer deelneemt, dient deze biologisch gecertificeerd te zijn als bedoeld in hoofdstuk V van Verordening (EU) 2018/848dan wel in omschakeling naar biologische productie als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) 2018/848.
5. Het project, bedoeld in het eerste lid draagt bij aan ten minste één van de doelstellingen bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen a, b, e of i, en aan de doelstelling bedoeld in artikel 6, tweede lid, van Verordening (EU) 2021/2115.
2. Een deelnemer in een biologisch samenwerkingsverband komt uitsluitend voor subsidie als bedoeld in het eerste lid in aanmerking, indien:
a. de deelnemer een kleine, middelgrote of micro-onderneming is als bedoeld in artikel 2, onderdeel 52, van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
b. de deelnemer overeenkomstig artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 in het handelsregister is ingeschreven;
c. de deelnemer gedurende de looptijd van de module aan ten hoogste twee projecten als bedoeld in het eerste lid deelneemt;
d. aan de deelnemer ten hoogste twee maal subsidie op grond van het eerste lid is verstrekt.
3. De penvoerder is deelnemer van het biologisch samenwerkingsverband.
4. Indien in een biologisch samenwerkingsverband een landbouwer deelneemt, dient deze biologisch gecertificeerd te zijn als bedoeld in hoofdstuk V van Verordening (EU) 2018/848dan wel in omschakeling naar biologische productie als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) 2018/848.
5. Het project, bedoeld in het eerste lid draagt bij aan ten minste één van de doelstellingen bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen a, b, e of i, en aan de doelstelling bedoeld in artikel 6, tweede lid, van Verordening (EU) 2021/2115.