BWBR0035474
Geldig vanaf 2025-11-23
Artikel 4.10.6
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
1. De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is zeven jaar.
2. De subsidieontvanger start binnen zes maanden na subsidieverlening met het maken van kosten die op grond van deze regeling voor subsidie in aanmerking komen.
3. De subsidieontvanger neemt uiterlijk één jaar na de datum van subsidieverlening een investeringsbesluit en een financieringsbesluit en doet hiervan onverwijld melding aan de minister.
4. De subsidieontvanger verstrekt uiterlijk drie jaar na de datum van subsidieverlening de opdracht tot het aanleggen of uitbreiden van een energie-efficiënt warmtenet, met dien verstande dat:
a. indien er sprake is van deelopdrachten, de eerste deelopdracht voor een substantieel deel van de totale subsidiabele investeringskosten wordt verstrekt, en
b. de subsidieontvanger onverwijld een afschrift hiervan verstrekt aan de minister na verstrekking van de opdracht of na verstrekking van elk van de deelopdrachten.
5. De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, verlengen, indien dit naar het oordeel van de minister passend en geboden is.
2. De subsidieontvanger start binnen zes maanden na subsidieverlening met het maken van kosten die op grond van deze regeling voor subsidie in aanmerking komen.
3. De subsidieontvanger neemt uiterlijk één jaar na de datum van subsidieverlening een investeringsbesluit en een financieringsbesluit en doet hiervan onverwijld melding aan de minister.
4. De subsidieontvanger verstrekt uiterlijk drie jaar na de datum van subsidieverlening de opdracht tot het aanleggen of uitbreiden van een energie-efficiënt warmtenet, met dien verstande dat:
a. indien er sprake is van deelopdrachten, de eerste deelopdracht voor een substantieel deel van de totale subsidiabele investeringskosten wordt verstrekt, en
b. de subsidieontvanger onverwijld een afschrift hiervan verstrekt aan de minister na verstrekking van de opdracht of na verstrekking van elk van de deelopdrachten.
5. De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, verlengen, indien dit naar het oordeel van de minister passend en geboden is.