BWBR0035474
Geldig vanaf 2025-11-23
Artikel 3.4.25
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
1. De minister kent aan een project aan de hand van de volgende criteria een hoger aantal punten toe naarmate:
a. er meer technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, proces, of dienst wordt verwacht;
b. er meer economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers in het MIT-R&D-samenwerkingsverband of de Nederlandse economie;
c. de kwaliteit van de R&D samenwerking hoger is, ten minste blijkend uit de mate van complementariteit van de deelnemers, de capaciteiten van de deelnemers en de kwaliteit van de projectorganisatie;
d. er meer positieve impact wordt gerealiseerd binnen een of meer van de uitwerkingen van de Kennis- en Innovatieagenda’s, genoemd in bijlage 3.4.1.
2. Het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel d, wordt verminderd naarmate het project meer negatieve impact heeft op een of meer van de uitwerkingen van de Kennis en Innovatieagenda’s, genoemd in bijlage 3.4.1.
3. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 25 punten toe.
4. voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel d, vermenigvuldigd met 2, indien het project valt binnen:
a. bijlage 3.4.1, onderdeel 6, sleuteltechnologieën 1.1, 2.2, 2.3, 2.7, 3.2, 4.1, 5 of 6.1;
b. bijlage 3.4.1, onderdeel 7, sleuteltechnologieën 1, 2 en 3; of
c. bijlage 3.4.1, onderdeel 7.a.
5. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.
6. De minister verdeelt het subsidieplafond onder de aanvragen die het hoogste zijn gerangschikt.
a. er meer technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, proces, of dienst wordt verwacht;
b. er meer economische waarde wordt gecreëerd voor de deelnemers in het MIT-R&D-samenwerkingsverband of de Nederlandse economie;
c. de kwaliteit van de R&D samenwerking hoger is, ten minste blijkend uit de mate van complementariteit van de deelnemers, de capaciteiten van de deelnemers en de kwaliteit van de projectorganisatie;
d. er meer positieve impact wordt gerealiseerd binnen een of meer van de uitwerkingen van de Kennis- en Innovatieagenda’s, genoemd in bijlage 3.4.1.
2. Het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel d, wordt verminderd naarmate het project meer negatieve impact heeft op een of meer van de uitwerkingen van de Kennis en Innovatieagenda’s, genoemd in bijlage 3.4.1.
3. De minister kent per onderdeel van het eerste lid ten hoogste 25 punten toe.
4. voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel d, vermenigvuldigd met 2, indien het project valt binnen:
a. bijlage 3.4.1, onderdeel 6, sleuteltechnologieën 1.1, 2.2, 2.3, 2.7, 3.2, 4.1, 5 of 6.1;
b. bijlage 3.4.1, onderdeel 7, sleuteltechnologieën 1, 2 en 3; of
c. bijlage 3.4.1, onderdeel 7.a.
5. De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.
6. De minister verdeelt het subsidieplafond onder de aanvragen die het hoogste zijn gerangschikt.