Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht
Hoofdstuk 1
Overgangsmaatregelen
Afdeling 1
Inleidende bepalingen
Afdeling 2
Algemene bepalingen
§ 2.1
Toezichtkosten
Artikel 2
Artikel 3
§ 2.2
Register
Artikel 4
2. Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtberust het register, bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995op artikel 1:109, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.
3. Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtvermeldt de toezichthouder, voorzover van toepassing, met betrekking tot de gegevens die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtwaren opgenomen in de in het eerste en tweede lid bedoelde registers en lijsten, de bepalingen uit de Wet op het financieel toezichtwaarop zij berusten.
§ 2.3
Toezicht en handhaving
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
2. Op het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid blijft het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht.
Artikel 8
2. Op de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, blijft het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht.
Artikel 9
Artikel 10
2. Op de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, blijft het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht.
Artikel 11
Artikel 12
2. Op de curator, bedoeld in het eerste lid, blijft het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht.
§ 2.4
Geheimhoudingsplicht en publicatiemogelijkheden
Artikel 13
Artikel 14
§ 2.5
Bijzondere maatregelen
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 16a
Artikel 17
§ 2.6
Toetsing van betrouwbaarheid en deskundigheid
Artikel 18
Artikel 19
§ 2.7
Beleggerscompensatie- en depositogarantiestelsel
Artikel 20
§ 2.8
Bevoegde rechter
Artikel 21
§ 2.9
Voorschriften en beperkingen
Artikel 22
Afdeling 3
Wet financiële dienstverlening
§ 3.1
Vergunningen
Artikel 23
2. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 11 van de Wet financiële dienstverleningvoor het aanbieden van krediet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:63, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
3. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 11 van de Wet financiële dienstverleningvoor adviseren, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:78, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
4. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 11 van de Wet financiële dienstverleningvoor bemiddelen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:83, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
5. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 11 van de Wet financiële dienstverleningvoor herverzekeringsbemiddelen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:89, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
6. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 11 van de Wet financiële dienstverleningvoor het optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:94, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
7. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 16, eerste lid, van de Wet financiële dienstverleningberust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:105, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 24
2. Voorschriften die op grond van artikel 22, vijfde lid, van de Wet financiële dienstverleningmet betrekking tot de afwikkeling van overeenkomsten zijn gegeven aan de in het eerste lid bedoelde personen berusten vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 1:102, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
§ 3.2
Ontheffingen
Artikel 25
2. Een ontheffing van het verbod op het aanbieden van krediet, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:60, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
3. Een ontheffing van het verbod op adviseren, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:75, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
4. Een ontheffing van het verbod op bemiddelen, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:80, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
5. Een ontheffing van het verbod op herverzekeringsbemiddelen, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:86, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
6. Een ontheffing van het verbod op het optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:92, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
7. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 22, tweede lid, van de Wet financiële dienstverleningberust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:80, derde lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 26
2. Een ontheffing van vereisten met betrekking tot een integere bedrijfsvoering of een adequate administratieve organisatie en systeem van interne controle als bedoeld in artikel 28 van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:15, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
3. Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de informatieverstrekking als bedoeld in artikel 31 van die wet, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:20, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
4. Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de informatievoorziening over een financieel product of een financiële dienst als bedoeld in artikel 35 van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:22, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
5. Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de informatieverstrekking door een adviseur als bedoeld in artikel 34 van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:72, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
6. Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de informatieverstrekking door een bemiddelaar als bedoeld in artikel 33 van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:73, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
7. Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening van een bemiddelaar in verzekeringen of een herverzekeringsbemiddelaar als bedoeld in artikel 29 van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:75, vijfde lid, onderscheidenlijk 4:76, vijfde lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 27
§ 3.3
Verbod
Artikel 28
§ 3.4
Notificatie
Artikel 29
Artikel 30
§ 3.5
Overig
Artikel 31
2. De Autoriteit Financiële Markten beslist binnen twaalf maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet financiële dienstverleningop de aanvraag, bedoeld in het eerste lid. Bij regeling van Onze Minister kan deze termijn ten hoogste twee maal worden verlengd met een termijn van telkens maximaal zes maanden. De Autoriteit Financiële Markten past op de aanvraag de Wet op het financieel toezichttoe.
3. De financiële dienstverlener, bedoeld in het eerste lid, wordt als aanvrager in de zin van het eerste lid ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 1:107, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht. De Autoriteit Financiële Markten haalt deze inschrijving door zodra zij op de aanvraag heeft beslist.
4. Met betrekking tot een financiële dienstverlener die zijn werkzaamheden zonder vergunning mag voortzetten als bedoeld in het eerste lid, blijft artikel 25 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerzoals dit luidde op 31 december 2005, van toepassing totdat de inschrijving op grond van het derde lid is doorgehaald.
5. Indien de Autoriteit Financiële Markten de aanvraag van een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid, heeft afgewezen, mag de financiëledienstverlener zonder vergunning of ontheffing zijn bedrijf afwikkelen. De Autoriteit Financiële Markten kan een termijn bepalen voor de afwikkeling. De Autoriteit Financiële Markten kan de financiëledienstverlener voorschriften geven terzake van de afwikkeling met het oog op het adequaat functioneren van de financiële markten of de positie van de consumenten op die markten.
6. Het bij en krachtens het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de Wet op het financieel toezichtbepaalde is van overeenkomstige toepassing op financiëledienstverleners die op grond van het eerste lid hun werkzaamheden mogen voortzetten en op financiëledienstverleners die op grond van het vijfde lid hun bedrijf mogen afwikkelen.
Artikel 32
Afdeling 4
Wet toezicht beleggingsinstellingen
§ 4.1
Vergunningen
Artikel 33
2. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 5 van de Wet toezicht beleggingsinstellingenten behoeve van een beleggingsmaatschappij die geen aparte beheerder heeft en geen beleggingsmaatschappij is als bedoeld in artikel 6 van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:68 van laatstgenoemde wet.
3. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 5ten behoeve van een beleggingsmaatschappij of beheerder als bedoeld in artikel 6 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:69 van laatstgenoemde weten wordt geacht te zijn verleend aan de beheerder van die beleggingsmaatschappij.
Artikel 34
Artikel 35
§ 4.2
Ontheffingen
Artikel 36
Artikel 37
2. Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel c, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, die is verleend op grond van artikel 12, vierde lid, van die wetberust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:11, vijfde lid, voorzover ontheffing is verleend van regels met betrekking tot de minimumvoorwaarden waaraan het beleid moet voldoen dat een integere uitoefening van het bedrijf waarborgt, of 4:14, vierde lid, van laatstgenoemde wet, voorzover ontheffing is verleend van regels die een beheerste en integere uitoefening van het bedrijf waarborgen.
3. Een ontheffing van de verplichting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, die is verleend op grond van artikel 12, vierde lid, van die wetberust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:22, tweede lid, 4:46a, tweede lid, 4:47, vijfde lid, 4:48, derde lidof 4:49, vijfde lid, van laatstgenoemde wet, voor zover het de in het desbetreffende artikel geregelde verplichting betreft.
4. Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de aan de toezichthouder te verstrekken informatie als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel d, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, die is verleend op grond van artikel 12, vierde lid, van die wetberust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:51, vijfde lid, van laatstgenoemde wet.
5. Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de aan het publiek te verstrekken informatie als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel d, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, die is verleend op grond van artikel 12, vierde lid, van die wetberust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:52, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 38
§ 4.3
Verklaring van geen bezwaar
Artikel 39
§ 4.4
Notificatie
Artikel 40
Artikel 41
§ 4.5
Overig
Artikel 42
Artikel 43
Afdeling 5
Wet toezicht effectenverkeer 1995
§ 5.1
Vergunningen
Artikel 44
2. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 7, zesde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:99 van laatstgenoemde wet. De houder van de vergunning wordt geacht te beschikken over een ontheffing als bedoeld in artikel 2:99, vierde lid, van de Wet op het financieel toezichtterzake van de vereisten waaraan de aanvrager niet kon voldoen.
Artikel 45
2. Beleggingsondernemingen die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtworden geacht op grond van artikel 60, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van die wette hebben, worden vanaf dat tijdstip geacht een vergunning te hebben op grond van artikel 2:99, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.
3. Ten aanzien van beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichteen vergunning hebben op grond van artikel 6, tweede lid, of 10, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeerwordt geacht te zijn voldaan aan artikel 2:98, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht.
§ 5.2
Ontheffingen
Artikel 46
Artikel 47
Artikel 48
2. Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, die is verleend op grond van artikel 11, vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:11, vijfde lid, voorzover ontheffing is verleend van regels met betrekking tot de minimumvoorwaarden waaraan het beleid moet voldoen dat een integere uitoefening van het bedrijf waarborgt, 4:14 vierde lid, voorzover ontheffing is verleend van regels die een beheerste en integere uitoefening van het bedrijf waarborgen, 4:25, tweede lid, voorzover een ontheffing is verleend van regels met betrekking tot de in acht te nemen zorgvuldigheid, 4:83, tweede lid, voor een ontheffing van het vereiste dat ten minste twee natuurlijke personen het dagelijks beleid van een beleggingsonderneming bepalen of 4:88, vijfde lid, van die wet, voorzover een ontheffing is verleend van regels met betrekking tot het beleid ter zake van het voorkomen van belangconflicten tussen een beleggingsonderneming en haar cliënten en tussen haar cliënten onderling.
3. Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de aan de toezichthouder te verstrekken informatie als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, die is verleend op grond van artikel 11, vierde lid, van die wetberust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:85, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
4. Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de aan het publiek te verstrekken informatie als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, die is verleend op grond van artikel 11, vierde lid, van die wetberust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:20, zesde lid, voorzover ontheffing is verleend van regels met betrekking tot informatieverstrekking aan een consument of een cliënt, of 4:22, tweede lid, van die wet, voorzover ontheffing is verleend van regels met betrekking tot de informatievoorziening door een financiële onderneming over een financieel product of financiële dienst.
5. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 17, derde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:106, derde lid, van laatstgenoemde wet.
6. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 18b, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 5:68, derde lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 49
§ 5.3
Verklaring van geen bezwaar
Artikel 50
2. Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 26a, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 5:32, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 51
a. de verklaring van geen bezwaar is verleend voor een deelneming die ligt op een van genoemde grenzen; of
b. de desbetreffende verklaring van geen bezwaar in ongewijzigde vorm is behouden op grond van artikel VI, tweede lid, van de Wet van 30 juni 2004 tot wijziging van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 in verband met de vereenvoudiging van het stelsel van de verklaring van geen bezwaar en enkele andere noodzakelijke aanpassingen (Stb. 441).
2. Een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 16 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995die vóór 15 september 2004 op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995is verleend ten behoeve van alle groepsmaatschappijen van een groep gezamenlijk, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtgeacht te zijn verleend op grond van artikel 3:100 van die wet.
Artikel 52
§ 5.4
Notificatie
Artikel 53
2. Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 14, derde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995ten behoeve van een beleggingsonderneming met zetel in Nederland, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtaangemerkt als de mededeling, bedoeld in artikel 2:129, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
3. Een besluit tot instemming als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop 2:130, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
§ 5.5
Goedkeuring prospectus
Artikel 54
§ 5.6
Erkenning van een markt in financiële instrumenten
Artikel 55
§ 5.7
Overig
Artikel 56
Afdeling 6
Wet toezicht kredietwezen 1992
§ 6.1
Vergunningen
Artikel 57
2. Een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992voor het uitoefenen van het bedrijf, bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:11 van die wetvoor een periode van ten hoogste zes maanden.
3. Een vergunning als bedoeld in het vorige lid berust ook na de in dat lid bedoelde periode op artikel 2:11 van de Wet op het financieel toezicht, indien de houder van de vergunning binnen zes maanden na inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtaan de Nederlandsche Bank te kennen heeft gegeven zijn vergunning te willen behouden.
4. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 38, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:21, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 58
2. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezenof op grond van artikel 62 van die wetwordt geacht te zijn verleend aan een bank als bedoeld in artikel 112, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:21 van die wet, voorzover voor het uitoefenen van het bedrijf van de houder van die vergunning een vergunning als bedoeld in dat artikelis vereist.
3. Een bank als bedoeld in artikel 112, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992die een vergunning heeft op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezenof op grond van artikel 62 van de eerstgenoemde wetwordt geacht een vergunning te hebben verkregen, en die op grond van artikel 112, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992wordt geacht te hebben voldaan aan het bepaalde, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b en c, van die wet, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtgeacht te beschikken over de mededeling, bedoeld in artikel 2:15 van laatstgenoemde wet.
Artikel 59
§ 6.2
Vrijstellingen
Artikel 60
2. Op degene op wie een vrijstelling van toepassing is als bedoeld in artikel 3 van de Vrijstellingsregeling Wtk 1992en die effecten als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995die geen effecten zijn in de zin van de Wet op het financieel toezicht, aan het publiek aanbiedt of doet toelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in de Wet op het financieel toezichtis vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichthet bepaalde in artikel 3:2 van die wetvan overeenkomstige toepassing voor een periode van ten hoogste een jaar. Indien de in de vorige volzin bedoelde effecten een overeenkomst betreffen met een looptijd die langer is dan een jaar, is het bepaalde in artikel 3:2 van die wetop de in de vorige volzin bedoelde aanbieder van overeenkomstige toepassing tot aan het einde van de looptijd van die overeenkomst.
§ 6.3
Ontheffingen
Artikel 61
2. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 82, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, voor het buiten besloten kring van anderen dan professionele marktpartijen aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van opvorderbare gelden, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:5, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
3. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 82, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, voor het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf als tussenpersoon ten behoeve van het buiten besloten kring aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:3, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
4. Een ontheffing die op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992is verleend aan een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 3 van de Vrijstellingsregeling Wtk 1992die niet voldeed aan de in dat artikelbedoelde voorschriften berust, voor zover deze ontheffing betrekking heeft op die voorschriften, vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:2, derde lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 62
Artikel 63
Artikel 64
Artikel 65
2. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:53, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
3. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 20, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:57, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
4. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 21, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieelop artikel 3:63, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
5. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 22, derde lid, of 30c, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:17, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
6. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 30, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:71, derde lid, van laatstgenoemde wet.
7. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 30b, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992van het terzake van de vereiste solvabiliteit of liquiditeit bepaalde, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:57, zesde lid, onderscheidenlijk artikel 3:63, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
8. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 55, negende lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:72, achtste lid, van laatstgenoemde wet.
§ 6.4
Notificatie
Artikel 66
Artikel 67
Artikel 68
Artikel 69
Artikel 70
Artikel 71
Artikel 72
§ 6.5
Verklaring van geen bezwaar
Artikel 73
Artikel 74
2. Aan degene die reeds op 1 januari 1979 een gekwalificeerde deelneming hield waarvoor ingevolge de artikelen 3:95, eerste lid, onderscheidenlijk 3:96, eerste lid, van de Wet op het financieel toezichteen verklaring van geen bezwaar is vereist, wordt geacht een verklaring van geen bezwaar te zijn verleend op grond van de artikelen 3:97, eerste lid, 3:100, eerste lid, onderscheidenlijk 3:101 van laatstgenoemde wet.
Artikel 75
a. de verklaring van geen bezwaar is verleend voor een deelneming die ligt op een van genoemde grenzen; of
b. de desbetreffende verklaring van geen bezwaar in ongewijzigde vorm is behouden op grond van artikel VI, tweede lid, van de Wet van 30 juni 2004 tot wijziging van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 in verband met de vereenvoudiging van het stelsel van de verklaring van geen bezwaar en enkele andere noodzakelijke aanpassingen (Stb. 441).
§ 6.6
Overig
Artikel 76
Artikel 77
Artikel 78
Artikel 79
Afdeling 7
Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf
§ 7.1
Vergunning
Artikel 80
§ 7.2
Ontheffingen
Artikel 81
Artikel 82
2. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 23, vierde lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:47, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
3. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 25, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijfberust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:20, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
4. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 32, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:70, tweede lid, voorzover de ontheffing is verleend aan een verzekeraar met zetel in Nederland, onderscheidenlijk 3:79 van laatstgenoemde wet, voorzover de ontheffing is verleend aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, die zijn bedrijf uitoefent vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.
5. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 38, vierde lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijfberust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:69, derde lid, van laatstgenoemde wet.
6. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 45, vierde lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijfberust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:69, derde lid, van laatstgenoemde wet.
§ 7.3
Verklaring van geen bezwaar
Artikel 83
Artikel 84
a. de verklaring van geen bezwaar is verleend voor een deelneming die ligt op een van genoemde grenzen; of
b. de desbetreffende verklaring van geen bezwaar in ongewijzigde vorm is behouden op grond van artikel VI, tweede lid, van de Wet van 30 juni 2004 tot wijziging van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 in verband met de vereenvoudiging van het stelsel van de verklaring van geen bezwaar en enkele andere noodzakelijke aanpassingen (Stb. 441).
§ 7.4
Notificatie
Artikel 85
Artikel 86
§ 7.5
Overig
Artikel 87
Artikel 88
2. Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 33, vierde lid, of 33a, vijfde lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijfberust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 1:78, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
3. Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 56, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijfberust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:135, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
4. Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 56, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijfberust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:146, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
5. Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 57, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijfberust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:136, eerste lid, voorzover de beschikking is gegeven aan een verzekeraar met zetel in Nederland of 3:147 van laatstgenoemde wet, voorzover de beschikking is gegeven aan een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat.
6. Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 57, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijfberust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:136, tweede lid, voorzover de beschikking is gegeven aan een verzekeraar met zetel in Nederland of 3:147 van laatstgenoemde wet, voorzover de beschikking is gegeven aan een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat.
7. Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 59, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijfberust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:138, eerste lid, voorzover de beschikking is gegeven aan een verzekeraar met zetel in Nederland of 3:147 van laatstgenoemde wet, voorzover de beschikking is gegeven aan een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat.
Artikel 89
Artikel 90
Afdeling 8
Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
§ 8.1
Vergunning
Artikel 91
Artikel 92
2. Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat die het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor uitoefent en die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop grond van artikel 190, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993wordt geacht te hebben voldaan aan artikel 37 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, wordt geacht de mededelingen, bedoeld in artikel 2:35 van de Wet op het financieel toezichtte hebben ontvangen.
Artikel 93
2. Indien een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid op 20 maart 2007 nog niet volledig voldoet aan het bij of krachtens de artikelen 68of 96 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993bepaalde, kan de Nederlandsche Bank daartoe een aanvullende termijn van ten hoogste twee jaar toestaan, mits de verzekeraar voor genoemde datum de maatregelen die hij voornemens is te nemen om de vereiste solvabiliteitsmarge te bereiken overeenkomstig artikel 138of 144 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993ter toestemming bij de Nederlandsche Bank heeft ingediend en zij die toestemming heeft verleend.
§ 8.2
Ontheffingen
Artikel 94
2. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 45, vierde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:47, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
3. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 51, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:20, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
4. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 52, zevende lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:71, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
5. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 66, zevende lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:67, vijfde lid, van laatstgenoemde wet.
6. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 67, derde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:67, vijfde lid, van laatstgenoemde wet.
7. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 71, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:70, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
8. Een ontheffing die is verleend grond van artikel 76, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:165, derde lid, van laatstgenoemde wet.
9. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 94, achtste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:68, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
10. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 99, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop 3:79 van laatstgenoemde wet.
11. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 104, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:166, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
12. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 109, tiende lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:71, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
13. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 147k, elfde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:156, achtste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 95
§ 8.3
Verklaring van geen bezwaar
Artikel 96
Artikel 97
2. Degene die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toezicht verzekeringsbedrijfeen gekwalificeerde deelneming hield, wordt geacht te beschikken over een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.
Artikel 98
a. de verklaring van geen bezwaar is verleend voor een deelneming die ligt op een van genoemde grenzen; of
b. de desbetreffende verklaring van geen bezwaar in ongewijzigde vorm is behouden op grond van artikel VI, tweede lid, van de Wet van 30 juni 2004 tot wijziging van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 in verband met de vereenvoudiging van het stelsel van de verklaring van geen bezwaar en enkele andere noodzakelijke aanpassingen (Stb. 441).
§ 8.4
Notificatie
Artikel 99
Artikel 100
Artikel 101
Artikel 102
§ 8.5
Overig
Artikel 103
Artikel 104
Artikel 105
2. Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 100, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:72, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
3. Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 115, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 1:58, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
4. Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 120, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 1:66, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
5. Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 137, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:135, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
6. Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 137a, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:132, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
7. Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 138, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:136, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
8. Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 138, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:136, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
9. Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 140, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:138, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
10. Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 140a, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:139, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
11. Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 141, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 1:59, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
12. Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 143, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:141, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
13. Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 144 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:136 van laatstgenoemde wet.
14. Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 146, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:144, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
15. Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 146a, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:145, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
16. Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 147, tweede lid van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 1:59, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
17. Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 147h van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:153 van laatstgenoemde wet.
18. Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 147k, vijfde of zesde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:156, vijfde onderscheidenlijk zesde lid, van laatstgenoemde wet.
19. Een beschikking die is gegeven of een machtiging die is verleend op grond van artikel 153, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:135, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
Artikel 106
Artikel 107
a. zij hebben geleid tot overeenkomsten van pensioenverzekering, gesloten voor 19 december 1987;
b. zij na 19 december 1987 hebben geleid of leiden tot een verhoging of uitbreiding van een pensioenverzekering als bedoeld in onderdeel a, mits het fonds, de onderneming of de pensioeninstelling daartoe krachtens de voorwaarden van die verzekering of van de voorziening, zoals deze luidden op 19 december 1987, gehouden was of is;
c. zij in de periode vanaf 19 december 1987 tot en met 18 juni 1988 hebben geleid tot nieuwe overeenkomsten van pensioenverzekering, verhoging of uitbreiding van die verzekeringen daaronder begrepen, tot het sluiten waarvan het fonds, de onderneming of de pensioeninstelling gehouden was.
2. Handelingen die ingevolge het eerste lid zijn toegestaan, worden niet beschouwd als de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar.
Artikel 108
Artikel 109
Afdeling 9
Clearinginstellingen
Artikel 110
2. Het is een financiële onderneming met zetel buiten Nederland, niet zijnde een bank met zetel in een andere lidstaat, noch zijnde een clearinginstelling met zetel in een staat die door Onze Minister is aangewezen ingevolge artikel 2:6, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht, die op het tijdstip van inwerkingtreding van die wetin Nederland het bedrijf van clearinginstelling uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, toegestaan zonder vergunning haar werkzaamheden voort te zetten, indien zij voldoet aan het vijfde lid.
3. Het is een financiële onderneming met zetel buiten Nederland, niet zijnde een bank met zetel in een andere lidstaat, noch zijnde een clearinginstelling met zetel in een staat die door Onze Minister is aangewezen ingevolge artikel 2:8, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht, die op het tijdstip van inwerkingtreding van die wethet bedrijf van clearinginstelling uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, toegestaan zonder dat zij heeft voldaan aan artikel 2:8, eerste lid, van die wethaar werkzaamheden voort te zetten, indien zij voldoet aan het zesde lid.
4. De financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, vraagt binnen één maand vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichteen vergunning aan bij de Nederlandsche Bank en verstrekt binnen zes maanden vanaf het tijdstip waarop die wetin werking treedt aan de Nederlandsche Bank de gegevens, bedoeld in artikel 2:5, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
5. De financiële onderneming, bedoeld in het tweede lid, vraagt binnen één maand vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichteen vergunning aan bij de Nederlandsche Bank en verstrekt binnen zes maanden vanaf dat tijdstip aan de Nederlandsche Bank de gegevens, bedoeld in artikel 2:7, tweede lid, van die wet.
6. De financiële onderneming, bedoeld in het derde lid, meldt zich binnen één maand vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtbij de Nederlandsche Bank en verstrekt binnen zes maanden vanaf dat tijdstip aan de Nederlandsche Bank de gegevens, bedoeld in artikel 2:9, eerste lid, van die wet.
7. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op de daarin bedoelde financiële onderneming totdat de Nederlandsche Bank op haar vergunningaanvraag heeft beslist.
8. Het derde lid is van toepassing op de financiële onderneming totdat de Nederlandsche Bank heeft beslist dat is voldaan aan artikel 2:8 van de Wet op het financieel toezicht.
9. De Nederlandsche Bank beslist binnen 12 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop een aanvraag als bedoeld in het eerste en tweede lid. Bij ministeriële regeling kan deze termijn twee maal worden verlengd met een periode van maximaal een half jaar.
10. De Nederlandsche Bank beslist binnen 12 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtof voldaan is aan artikel 2:8 van die wet. Bij ministeriële regeling kan deze termijn twee maal worden verlengd met een periode van maximaal een half jaar.
11. De financiële onderneming die op grond van het vierde of vijfde lid een vergunning heeft aangevraagd wordt als aanvrager ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 1:107, van de Wet op het financieel toezicht. De Nederlandsche Bank haalt deze inschrijving door zodra zij op de aanvraag heeft beslist.
12. De financiële onderneming die op grond van het zesde lid zich bij de Nederlandsche Bank heeft gemeld wordt ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 1:107, van de Wet op het financieel toezicht, als een onderneming die aan de Nederlandsche Bank kennis heeft gegeven van het voornemen door middel van dienstverrichting naar Nederland het bedrijf van clearinginstelling te verrichten. De Nederlandsche Bank haalt deze inschrijving door zodra zij heeft beslist dat is voldaan aan artikel 2:8 van de Wet op het financieel toezicht.
Artikel 111
2. De financiële onderneming kan haar werkzaamheden blijven uitoefenen door middel van het verrichten van diensten naar Nederland nadat de kennisgeving is gedaan tenzij de Nederlandsche Bank mededeelt dat de voortzetting of de wijze van uitoefening in strijd is met de Wet op het financieel toezicht.
3. Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt zij de betrokken clearinginstelling onverwijld deze ontvangst mee.
4. De Nederlandsche Bank kan binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving de clearinginstelling mededelen welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de clearinginstelling in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van haar bedrijf vanuit het in Nederland gelegen bijkantoor.
Afdeling 10
Waarborg- en garantiefondsen
Artikel 111a
2. De Nederlandsche Bank beslist binnen 12 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop de aanvraag. Bij ministeriële regeling kan deze termijn tweemaal worden verlengd met een periode van maximaal zes maanden.
3. Degene die op grond van het eerste lid een vergunning heeft aangevraagd wordt als aanvrager ingeschreven in het register, bedoelt in artikel 1:107, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht. De Nederlandsche Bank haalt deze inschrijving door zodra zij op de aanvraag heeft beslist.
Hoofdstuk 2
Wijziging van andere wetten
§ 1
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Artikel 112
Artikel 113
Artikel 114
§ 2
Ministerie van Buitenlandse Zaken
Artikel 115
§ 3
Ministerie van Economische Zaken
Artikel 116
Artikel 117
Artikel 118
Artikel 119
Artikel 120
§ 4
Ministerie van Financiën
Artikel 121
Artikel 122
Artikel 123
Artikel 124
Artikel 125
Artikel 126
Artikel 127
Artikel 128
Artikel 129
Artikel 130
Artikel 131
Artikel 132
Artikel 133
Artikel 134
Artikel 135
Artikel 135a
Artikel 136
Artikel 137
§ 5
Ministerie van Justitie
Artikel 138
Artikel 139
Artikel 140
Artikel 141
Artikel 142
Artikel 143
Artikel 144
Artikel 145
Artikel 146
Artikel 147
Artikel 148
Artikel 149
Artikel 150
Artikel 151
Artikel 152
Artikel 153
Artikel 154
Artikel 155
§ 6
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Artikel 156
Artikel 157
§ 7
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Artikel 158
Artikel 159
Artikel 160
Artikel 161
Artikel 162
Artikel 163
Artikel 164
Artikel 165
§ 8
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Artikel 166
Artikel 167
Artikel 168
Artikel 169
Hoofdstuk 3
Slotbepalingen
Artikel 170
Artikel 171
Artikel 172
Artikel 173
Artikel 174
Artikel 175
Artikel 175a
Artikel 176
2. Na de plaatsing in de Staatscourant van een krachtens het eerste lid vastgestelde ministeriële regeling wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de ministeriële regeling onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de ministeriële regeling ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
Artikel 177
Artikel 178
Artikel 179
2. In het koninklijk besluit kan worden bepaald dat daarbij aan te geven artikelen of onderdelen daarvan op een later, bij koninklijk besluit te bepalen, tijdstip in werking treden.
3. In het koninklijk besluit kan worden bepaald dat het bepaalde in artikel 31, vierde lid, van deze wet kan terugwerken tot en met 1 januari 2006.