BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 30b
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. De Bank kan aan de kredietinstellingen regels stellen, al dan niet tevens op geconsolideerde basis, in het belang van hun solvabiliteit en liquiditeit.
2. De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor de verschillende categorieën van kredietinstellingen verschillend zijn.
3. De regels kunnen uitsluitend inhouden:
a. bepalingen inzake het eigen vermogen dat ten minste dient te worden aangehouden in verhouding tot de financiële verplichtingen die met uitgegeven elektronisch geld verband houden;
b. de beperking ten aanzien van of het aan voorschriften binden van: 1°. de beleggingen en overige activa;
2°. de verplichtingen buiten de balanstelling;
3°. de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;
1°. de beleggingen en overige activa;
2°. de verplichtingen buiten de balanstelling;
3°. de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;
c. bepalingen inzake de minimale omvang van de liquide middelen of onderdelen daarvan in verhouding tot de ter beschikking verkregen gelden.
4. De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de regels verlenen, indien de liquiditeit en de solvabiliteit van die kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende zijn gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.
5. In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent regels worden gegeven.
2. De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor de verschillende categorieën van kredietinstellingen verschillend zijn.
3. De regels kunnen uitsluitend inhouden:
a. bepalingen inzake het eigen vermogen dat ten minste dient te worden aangehouden in verhouding tot de financiële verplichtingen die met uitgegeven elektronisch geld verband houden;
b. de beperking ten aanzien van of het aan voorschriften binden van: 1°. de beleggingen en overige activa;
2°. de verplichtingen buiten de balanstelling;
3°. de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;
1°. de beleggingen en overige activa;
2°. de verplichtingen buiten de balanstelling;
3°. de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;
c. bepalingen inzake de minimale omvang van de liquide middelen of onderdelen daarvan in verhouding tot de ter beschikking verkregen gelden.
4. De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de regels verlenen, indien de liquiditeit en de solvabiliteit van die kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende zijn gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.
5. In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent regels worden gegeven.