BWBR0020616
Geldig vanaf 2007-01-01
Artikel 57
Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht
1. Een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:11, eerste lid, van die wet, voorzover voor het uitoefenen van het bedrijf van de houder een vergunning is vereist op grond van laatstgenoemd artikel.
2. Een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992voor het uitoefenen van het bedrijf, bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:11 van die wetvoor een periode van ten hoogste zes maanden.
3. Een vergunning als bedoeld in het vorige lid berust ook na de in dat lid bedoelde periode op artikel 2:11 van de Wet op het financieel toezicht, indien de houder van de vergunning binnen zes maanden na inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtaan de Nederlandsche Bank te kennen heeft gegeven zijn vergunning te willen behouden.
4. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 38, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:21, eerste lid, van laatstgenoemde wet.
2. Een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992voor het uitoefenen van het bedrijf, bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:11 van die wetvoor een periode van ten hoogste zes maanden.
3. Een vergunning als bedoeld in het vorige lid berust ook na de in dat lid bedoelde periode op artikel 2:11 van de Wet op het financieel toezicht, indien de houder van de vergunning binnen zes maanden na inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtaan de Nederlandsche Bank te kennen heeft gegeven zijn vergunning te willen behouden.
4. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 38, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:21, eerste lid, van laatstgenoemde wet.