BWBR0020616
Geldig vanaf 2007-01-01
Artikel 58
Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht
1. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezenof op grond van artikel 62 van die wetof 7 van de Postbankwetwordt geacht te zijn verleend aan een bank met zetel in Nederland, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:11, eerste lid, van laatstgenoemde wet, voorzover voor het uitoefenen van het bedrijf van de houder van die vergunning een vergunning is vereist.
2. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezenof op grond van artikel 62 van die wetwordt geacht te zijn verleend aan een bank als bedoeld in artikel 112, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:21 van die wet, voorzover voor het uitoefenen van het bedrijf van de houder van die vergunning een vergunning als bedoeld in dat artikelis vereist.
3. Een bank als bedoeld in artikel 112, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992die een vergunning heeft op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezenof op grond van artikel 62 van de eerstgenoemde wetwordt geacht een vergunning te hebben verkregen, en die op grond van artikel 112, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992wordt geacht te hebben voldaan aan het bepaalde, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b en c, van die wet, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtgeacht te beschikken over de mededeling, bedoeld in artikel 2:15 van laatstgenoemde wet.
2. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezenof op grond van artikel 62 van die wetwordt geacht te zijn verleend aan een bank als bedoeld in artikel 112, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:21 van die wet, voorzover voor het uitoefenen van het bedrijf van de houder van die vergunning een vergunning als bedoeld in dat artikelis vereist.
3. Een bank als bedoeld in artikel 112, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992die een vergunning heeft op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezenof op grond van artikel 62 van de eerstgenoemde wetwordt geacht een vergunning te hebben verkregen, en die op grond van artikel 112, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992wordt geacht te hebben voldaan aan het bepaalde, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b en c, van die wet, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtgeacht te beschikken over de mededeling, bedoeld in artikel 2:15 van laatstgenoemde wet.