BWBR0006509
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 49
Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
1. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan, in overeenstemming met de toezichthoudende autoriteiten van de lid-staten waar een verzekeraar eveneens een bijkantoor heeft of een bijkantoor wil openen, aan deze verzekeraar op zijn aanvraag een verklaring afgeven, inhoudende dat in afwijking van artikel 42, eerste lid, aanhef en onderdelen d en e, en artikel 96, vanaf het in de verklaring vermelde tijdstip:
a. de solvabiliteitsmarge wordt berekend op basis van het gehele schadeverzekeringsbedrijf dan wel levensverzekeringsbedrijf dat de verzekeraar vanuit de bijkantoren in de Unie uitoefent;
b. de waarden die het garantiefonds vertegenwoordigen, in de lid-staat van de in het tweede lid bedoelde toezichthoudende autoriteit aanwezig dienen te zijn; en
c. ten minste de helft van het minimum bedrag van het garantiefonds dient te worden aangehouden in waarden volgens de regels die terzake gelden in de lid-staat van de in het tweede lid bedoelde toezichthoudende autoriteit.
2. De verzekeraar doet in zijn aanvraag een met redenen omklede keuze van de toezichthoudende autoriteit die zich zal belasten met het toezicht op de solvabiliteitsmarge, bedoeld in het eerste lid, onderdeel <em>a</em>.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan aan een op grond van dit artikel afgegeven verklaring beperkingen stellen of voorschriften verbinden.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de verklaring intrekken. Alvorens daartoe over te gaan verzoekt de Pensioen- & Verzekeringskamer de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten die een overeenkomstige verklaring hebben afgegeven, deze verklaring eveneens in te trekken op het door haar aangegeven tijdstip.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer trekt de verklaring tevens in, indien de toezichthoudende autoriteit van een van de andere betrokken lid-staten zulks verzoekt. Alsdan gaat de intrekking door de Pensioen- & Verzekeringskamer niet eerder in dan op het tijdstip dat is aangegeven door de toezichthoudende autoriteit die om de intrekking heeft verzocht.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter zake van het bepaalde in de voorgaande leden nadere regels worden gesteld.
a. de solvabiliteitsmarge wordt berekend op basis van het gehele schadeverzekeringsbedrijf dan wel levensverzekeringsbedrijf dat de verzekeraar vanuit de bijkantoren in de Unie uitoefent;
b. de waarden die het garantiefonds vertegenwoordigen, in de lid-staat van de in het tweede lid bedoelde toezichthoudende autoriteit aanwezig dienen te zijn; en
c. ten minste de helft van het minimum bedrag van het garantiefonds dient te worden aangehouden in waarden volgens de regels die terzake gelden in de lid-staat van de in het tweede lid bedoelde toezichthoudende autoriteit.
2. De verzekeraar doet in zijn aanvraag een met redenen omklede keuze van de toezichthoudende autoriteit die zich zal belasten met het toezicht op de solvabiliteitsmarge, bedoeld in het eerste lid, onderdeel <em>a</em>.
3. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan aan een op grond van dit artikel afgegeven verklaring beperkingen stellen of voorschriften verbinden.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan de verklaring intrekken. Alvorens daartoe over te gaan verzoekt de Pensioen- & Verzekeringskamer de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten die een overeenkomstige verklaring hebben afgegeven, deze verklaring eveneens in te trekken op het door haar aangegeven tijdstip.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer trekt de verklaring tevens in, indien de toezichthoudende autoriteit van een van de andere betrokken lid-staten zulks verzoekt. Alsdan gaat de intrekking door de Pensioen- & Verzekeringskamer niet eerder in dan op het tijdstip dat is aangegeven door de toezichthoudende autoriteit die om de intrekking heeft verzocht.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter zake van het bepaalde in de voorgaande leden nadere regels worden gesteld.