BWBR0006509
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 147k
Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
1. Voor toepassing van het opvanginstrument wordt op enig moment ten hoogste € 181 512 086,44 voor het jaar 2006 € 220.783.206ter beschikking gesteld, met dien verstande dat:
a. per opvangsituatie maximaal € 90 756 043,22 voor het jaar 2006: € 110.391.603 ter beschikking kan worden gesteld; en
b. het ter beschikking staande bedrag ten aanzien waarvan naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer bij het inwerking stellen van het opvanginstrument, gehoord de vertrouwenscommissie, het aanmerkelijke risico bestaat dat het niet wordt terugbetaald, nooit hoger is dan € 90 756 043,22 voor het jaar 2006: € 110.391.603.
2. De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden jaarlijks door Onze Minister aangepast aan de procentuele ontwikkeling van de totale vereiste solvabiliteitsmarge van de verzekeraars, bedoeld in artikel 147a, eerste lid, zoals die blijkt uit de meest recente jaarlijkse financiële verslaglegging van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
3. In de maand januari van elk jaar worden door Onze Minister de voor dat jaar geldende bedragen, bedoeld in het tweede lid, in de Staatscourant bekend gemaakt.
4. Indien als gevolg van toepassing van het opvanginstrument voor een daarop volgende toepassing niet meer de maximale bedragen, bedoeld in het eerste lid, ter beschikking staan, bepaalt de Pensioen- & Verzekeringskamer de alsdan maximaal ter beschikking staande bedragen.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt, gehoord de vertrouwenscommissie, het bedrag vast dat in een voorkomend geval beschikbaar wordt gesteld voor de toepassing van het opvanginstrument. De Pensioen- & Verzekeringskamer bepaalt, met inachtneming van de tweede volzin van het zevende lid, per verzekeraar in hoeverre dit bedrag in de vorm van aandelen in de opvanginstelling wordt genomen en in hoeverre dit bedrag in de vorm van een achtergestelde lening aan de opvanginstelling wordt verstrekt. Verzekeraars nemen de aandelen en verstrekken de achtergestelde lening. Voor dit nemen van de aandelen, het houden ervan en het uitoefenen van de daarmee verbonden zeggenschap is geen verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 175, eerste lid, vereist. De Pensioen- & Verzekeringskamer bepaalt de voorwaarden van de achtergestelde lening waaraan verzekeraars zich houden.
6. De verzekeraars, bedoeld in artikel 147a, eerste lid, verschaffen het op grond van het vijfde lid vastgestelde bedrag. De Pensioen- & Verzekeringskamer legt daartoe aan deze verzekeraars een aanslag op.
7. Het bedrag van de aanslag wordt binnen een door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen termijn aan de opvanginstelling voldaan. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan evenwel bepalen dat een of meer verzekeraars het bedrag van de aanslag geheel of gedeeltelijk aan een ander voldoen, om deze in staat te stellen zijn aandelen in de opvanginstelling aan deze verzekeraar of verzekeraars over te dragen.
8. Ingeval een verzekeraar niet aan het zevende lid voldoet, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer een dwangbevel uitvaardigen, dat wordt executoir verklaard door de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de Pensioen- & Verzekeringskamer is gevestigd en dan een executoriale titel oplevert, die met de toepassing van de voorschriften van het <a href="/wet/BWBR0001827" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</a>door de Pensioen- & Verzekeringskamer tenuitvoergelegd kan worden.
9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste, vierde en zesde lid.
10. Het zesde lid is niet van toepassing op opvanginstellingen en op verzekeraars ten aanzien waarvan het opvanginstrument wordt toegepast of is toegepast en die uit dien hoofde nog verplichtingen hebben.
11. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzekeraar ontheffing verlenen van het zesde lid, eerste volzin, indien naar haar oordeel de bijdrage tot gevolg zal hebben dat de solvabiliteitsmarge van die verzekeraar niet meer zal voldoen aan artikel 68of artikel 96en de verzekeraar niet in staat is de solvabiliteitsmarge binnen een redelijke termijn op de vereiste omvang te brengen.
a. per opvangsituatie maximaal € 90 756 043,22 voor het jaar 2006: € 110.391.603 ter beschikking kan worden gesteld; en
b. het ter beschikking staande bedrag ten aanzien waarvan naar het oordeel van de Pensioen- & Verzekeringskamer bij het inwerking stellen van het opvanginstrument, gehoord de vertrouwenscommissie, het aanmerkelijke risico bestaat dat het niet wordt terugbetaald, nooit hoger is dan € 90 756 043,22 voor het jaar 2006: € 110.391.603.
2. De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden jaarlijks door Onze Minister aangepast aan de procentuele ontwikkeling van de totale vereiste solvabiliteitsmarge van de verzekeraars, bedoeld in artikel 147a, eerste lid, zoals die blijkt uit de meest recente jaarlijkse financiële verslaglegging van de Pensioen- & Verzekeringskamer.
3. In de maand januari van elk jaar worden door Onze Minister de voor dat jaar geldende bedragen, bedoeld in het tweede lid, in de Staatscourant bekend gemaakt.
4. Indien als gevolg van toepassing van het opvanginstrument voor een daarop volgende toepassing niet meer de maximale bedragen, bedoeld in het eerste lid, ter beschikking staan, bepaalt de Pensioen- & Verzekeringskamer de alsdan maximaal ter beschikking staande bedragen.
5. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt, gehoord de vertrouwenscommissie, het bedrag vast dat in een voorkomend geval beschikbaar wordt gesteld voor de toepassing van het opvanginstrument. De Pensioen- & Verzekeringskamer bepaalt, met inachtneming van de tweede volzin van het zevende lid, per verzekeraar in hoeverre dit bedrag in de vorm van aandelen in de opvanginstelling wordt genomen en in hoeverre dit bedrag in de vorm van een achtergestelde lening aan de opvanginstelling wordt verstrekt. Verzekeraars nemen de aandelen en verstrekken de achtergestelde lening. Voor dit nemen van de aandelen, het houden ervan en het uitoefenen van de daarmee verbonden zeggenschap is geen verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 175, eerste lid, vereist. De Pensioen- & Verzekeringskamer bepaalt de voorwaarden van de achtergestelde lening waaraan verzekeraars zich houden.
6. De verzekeraars, bedoeld in artikel 147a, eerste lid, verschaffen het op grond van het vijfde lid vastgestelde bedrag. De Pensioen- & Verzekeringskamer legt daartoe aan deze verzekeraars een aanslag op.
7. Het bedrag van de aanslag wordt binnen een door de Pensioen- & Verzekeringskamer te bepalen termijn aan de opvanginstelling voldaan. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan evenwel bepalen dat een of meer verzekeraars het bedrag van de aanslag geheel of gedeeltelijk aan een ander voldoen, om deze in staat te stellen zijn aandelen in de opvanginstelling aan deze verzekeraar of verzekeraars over te dragen.
8. Ingeval een verzekeraar niet aan het zevende lid voldoet, kan de Pensioen- & Verzekeringskamer een dwangbevel uitvaardigen, dat wordt executoir verklaard door de voorzieningenrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de Pensioen- & Verzekeringskamer is gevestigd en dan een executoriale titel oplevert, die met de toepassing van de voorschriften van het <a href="/wet/BWBR0001827" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering</a>door de Pensioen- & Verzekeringskamer tenuitvoergelegd kan worden.
9. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het eerste, vierde en zesde lid.
10. Het zesde lid is niet van toepassing op opvanginstellingen en op verzekeraars ten aanzien waarvan het opvanginstrument wordt toegepast of is toegepast en die uit dien hoofde nog verplichtingen hebben.
11. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan een verzekeraar ontheffing verlenen van het zesde lid, eerste volzin, indien naar haar oordeel de bijdrage tot gevolg zal hebben dat de solvabiliteitsmarge van die verzekeraar niet meer zal voldoen aan artikel 68of artikel 96en de verzekeraar niet in staat is de solvabiliteitsmarge binnen een redelijke termijn op de vereiste omvang te brengen.