BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 112
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. De vergunning die, op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezen ( <em>Stb.</em>1978, 255) is verleend dan wel op grond van artikel 62 van die wet of <a href="/wet/BWBR0003842/artikel/7" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 7 van de Postbankwet</a>( <em>Stb.</em>1985, 510) wordt geacht te zijn verleend aan een in Nederland gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, wordt geacht aan die kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°te zijn verleend op grond van artikel 6.
2. De vergunning die, op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezen is verleend dan wel op grond van artikel 62 van die wet wordt geacht te zijn verleend aan een buiten de Unie dan wel in een Lid-Staat ten aanzien waarvan Onze minister op dat tijdstip een maatregel als bedoeld in artikel 33, eerste lid, heeft genomen, gevestigde onderneming of instelling die het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°door middel van een bijkantoor in Nederland uitoefent, wordt geacht aan die kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°te zijn verleend op grond van artikel 38, eerste lid.
3. De in een andere Lid-Staat, niet zijnde een Lid-Staat ten aanzien waarvan Onze minister een maatregel als bedoeld in artikel 33, eerste lid, heeft genomen, gevestigde onderneming of instelling die, op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°door middel van een bijkantoor in Nederland uitoefent en die daarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezen heeft verkregen dan wel op grond van artikel 62 van die wet geacht wordt te hebben verkregen, wordt geacht te hebben voldaan aan artikel 31, eerste lid, onder <em>b</em>en <em>c</em>.
2. De vergunning die, op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezen is verleend dan wel op grond van artikel 62 van die wet wordt geacht te zijn verleend aan een buiten de Unie dan wel in een Lid-Staat ten aanzien waarvan Onze minister op dat tijdstip een maatregel als bedoeld in artikel 33, eerste lid, heeft genomen, gevestigde onderneming of instelling die het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°door middel van een bijkantoor in Nederland uitoefent, wordt geacht aan die kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°te zijn verleend op grond van artikel 38, eerste lid.
3. De in een andere Lid-Staat, niet zijnde een Lid-Staat ten aanzien waarvan Onze minister een maatregel als bedoeld in artikel 33, eerste lid, heeft genomen, gevestigde onderneming of instelling die, op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°door middel van een bijkantoor in Nederland uitoefent en die daarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezen heeft verkregen dan wel op grond van artikel 62 van die wet geacht wordt te hebben verkregen, wordt geacht te hebben voldaan aan artikel 31, eerste lid, onder <em>b</em>en <em>c</em>.