BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 25
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. De Bank kan, ter uitvoering van bepalingen in richtlijnen van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen, aan houders van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, die financiële instelling zijn waarvan de dochtermaatschappijen uitsluitend of hoofdzakelijk kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, of financiële instellingen zijn en waarvan ten minste één dochtermaatschappij een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°is die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen, algemene voorschriften geven om te voorkomen dat de handeling waarvoor de verklaring van geen bezwaar is verleend, zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op laatstbedoelde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°die in strijd is met een gezond bankbeleid.
2. De algemene voorschriften kunnen uitsluitend inhouden bepalingen inzake:
a. de omvang van het eigen vermogen van de houder als bedoeld in het eerste lid in verhouding tot de financiële risico’s van die houder en op geconsolideerde basis van de groep waarvan die houder aan het hoofd staat;
b. de omvang, al dan niet in verhouding tot het eigen vermogen, van de financiële risico’s als bedoeld onder a;
c. de reikwijdte van consolidatie; en
d. de door de houder als bedoeld in het eerste lid te verstrekken inlichtingen alsmede de vorm waarin deze inlichtingen dienen te worden verstrekt.
3. In de algemene voorschriften wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent algemene voorschriften worden gegeven.
4. De Bank kan voor een houder als bedoeld in het eerste lid ontheffing van de algemene voorschriften verlenen, mits die houder, in overeenstemming met de Richtlijn, door een toezichthoudende autoriteit van een andere Lid-Staat bij het toezicht op kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, wordt betrokken.
5. Met betrekking tot de algemene voorschriften zijn de artikelen 24, zesde lid, en 26, zesde lid, aanhef en onder <em>d</em>, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn als bedoeld in artikel 24, zesde lid, door de Bank wordt vastgesteld.
2. De algemene voorschriften kunnen uitsluitend inhouden bepalingen inzake:
a. de omvang van het eigen vermogen van de houder als bedoeld in het eerste lid in verhouding tot de financiële risico’s van die houder en op geconsolideerde basis van de groep waarvan die houder aan het hoofd staat;
b. de omvang, al dan niet in verhouding tot het eigen vermogen, van de financiële risico’s als bedoeld onder a;
c. de reikwijdte van consolidatie; en
d. de door de houder als bedoeld in het eerste lid te verstrekken inlichtingen alsmede de vorm waarin deze inlichtingen dienen te worden verstrekt.
3. In de algemene voorschriften wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent algemene voorschriften worden gegeven.
4. De Bank kan voor een houder als bedoeld in het eerste lid ontheffing van de algemene voorschriften verlenen, mits die houder, in overeenstemming met de Richtlijn, door een toezichthoudende autoriteit van een andere Lid-Staat bij het toezicht op kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, wordt betrokken.
5. Met betrekking tot de algemene voorschriften zijn de artikelen 24, zesde lid, en 26, zesde lid, aanhef en onder <em>d</em>, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn als bedoeld in artikel 24, zesde lid, door de Bank wordt vastgesteld.