BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 2
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. De Bank oefent toezicht uit:
a. vervallen;
b. in het belang van hun solvabiliteit op de in Nederland gevestigde kredietinstellingen en op de bijkantoren in Nederland van in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstellingen;
c. in het belang van hun liquiditeit op de in Nederland gevestigde kredietinstellingen en op de bijkantoren in Nederland van niet in Nederland gevestigde kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°; en
d. in het belang van hun solvabiliteit op de in Nederland gevestigde financiële instellingen die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45 hebben verkregen.
2. De Bank werkt bij de uitoefening van toezicht op in één van de Lid-Staten gevestigde kredietinstellingen samen met de betrokken toezichthoudende autoriteiten van de andere Lid-Staten. De Bank pleegt daartoe in voorkomende gevallen overleg met deze toezichthoudende autoriteiten van de andere Lid-Staten.
3. De Bank kan voor zover noodzakelijk ten behoeve van de uitoefening van toezicht op een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling de betrokken toezichthoudende autoriteit raadplegen.
a. vervallen;
b. in het belang van hun solvabiliteit op de in Nederland gevestigde kredietinstellingen en op de bijkantoren in Nederland van in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstellingen;
c. in het belang van hun liquiditeit op de in Nederland gevestigde kredietinstellingen en op de bijkantoren in Nederland van niet in Nederland gevestigde kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°; en
d. in het belang van hun solvabiliteit op de in Nederland gevestigde financiële instellingen die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45 hebben verkregen.
2. De Bank werkt bij de uitoefening van toezicht op in één van de Lid-Staten gevestigde kredietinstellingen samen met de betrokken toezichthoudende autoriteiten van de andere Lid-Staten. De Bank pleegt daartoe in voorkomende gevallen overleg met deze toezichthoudende autoriteiten van de andere Lid-Staten.
3. De Bank kan voor zover noodzakelijk ten behoeve van de uitoefening van toezicht op een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling de betrokken toezichthoudende autoriteit raadplegen.