BWBR0020616
Geldig vanaf 2007-01-01
Artikel 33
Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht
1. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingenaan een beheerder van een beleggingsinstelling, anders dan bedoeld in artikel 6 van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:67 van laatstgenoemde wet.
2. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 5 van de Wet toezicht beleggingsinstellingenten behoeve van een beleggingsmaatschappij die geen aparte beheerder heeft en geen beleggingsmaatschappij is als bedoeld in artikel 6 van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:68 van laatstgenoemde wet.
3. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 5ten behoeve van een beleggingsmaatschappij of beheerder als bedoeld in artikel 6 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:69 van laatstgenoemde weten wordt geacht te zijn verleend aan de beheerder van die beleggingsmaatschappij.
2. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 5 van de Wet toezicht beleggingsinstellingenten behoeve van een beleggingsmaatschappij die geen aparte beheerder heeft en geen beleggingsmaatschappij is als bedoeld in artikel 6 van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:68 van laatstgenoemde wet.
3. Een vergunning die is verleend op grond van artikel 5ten behoeve van een beleggingsmaatschappij of beheerder als bedoeld in artikel 6 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:69 van laatstgenoemde weten wordt geacht te zijn verleend aan de beheerder van die beleggingsmaatschappij.