BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 48
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. Een financiële instelling, die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, heeft verkregen en die het bedrijf, dat zij in Nederland uitoefent, uitoefent dan wel voornemens is uit te oefenen door middel van een bijkantoor in een andere Lid-Staat, dient de Bank daarvan schriftelijk kennis te geven.
2. De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden onder opgave van:
a. de Lid-Staat waarin de financiële instelling het bijkantoor heeft gevestigd dan wel voornemens is te vestigen;
b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve organisatie - met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle - ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;
c. het adres van het bijkantoor; en
d. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.
3. De Bank doet binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, mededeling van die gegevens alsmede van gegevens omtrent de omvang van het eigen vermogen van de financiële instelling en de solvabiliteitsratio op geconsolideerde basis van de kredietinstelling of kredietinstellingen als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder <em>a</em>. De Bank stelt de financiële instelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.
4. Indien de Bank van oordeel is dat de financiële instelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, verricht dan wel voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 22en 22a, doet zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat, bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de financiële instelling hiervan, binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid en de gegevens, bedoeld in het tweede lid, in kennis.
5. Indien zich een wijziging van de gegevens als bedoeld in het tweede lid, onder <em>b</em>, <em>c</em>of <em>d</em>, voordoet of indien het voornemen bestaat om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken, stelt de financiële instelling de Bank en de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat daarvan ten minste vier weken voor de wijziging ingaat of het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in kennis.
6. Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de financiële instelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de regels als bedoeld in de artikelen 20, 22en 22a, trekt zij de mededeling, bedoeld in het derde lid, in. De Bank stelt de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat en de financiële instelling schriftelijk van het intrekken van de mededeling in kennis.
2. De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden onder opgave van:
a. de Lid-Staat waarin de financiële instelling het bijkantoor heeft gevestigd dan wel voornemens is te vestigen;
b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve organisatie - met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle - ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;
c. het adres van het bijkantoor; en
d. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.
3. De Bank doet binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, mededeling van die gegevens alsmede van gegevens omtrent de omvang van het eigen vermogen van de financiële instelling en de solvabiliteitsratio op geconsolideerde basis van de kredietinstelling of kredietinstellingen als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder <em>a</em>. De Bank stelt de financiële instelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.
4. Indien de Bank van oordeel is dat de financiële instelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, verricht dan wel voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 22en 22a, doet zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat, bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de financiële instelling hiervan, binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid en de gegevens, bedoeld in het tweede lid, in kennis.
5. Indien zich een wijziging van de gegevens als bedoeld in het tweede lid, onder <em>b</em>, <em>c</em>of <em>d</em>, voordoet of indien het voornemen bestaat om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken, stelt de financiële instelling de Bank en de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat daarvan ten minste vier weken voor de wijziging ingaat of het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in kennis.
6. Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de financiële instelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de regels als bedoeld in de artikelen 20, 22en 22a, trekt zij de mededeling, bedoeld in het derde lid, in. De Bank stelt de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat en de financiële instelling schriftelijk van het intrekken van de mededeling in kennis.