BWBR0020616
Geldig vanaf 2007-01-01
Artikel 61
Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht
1. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 38a, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 2:23, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
2. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 82, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, voor het buiten besloten kring van anderen dan professionele marktpartijen aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van opvorderbare gelden, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:5, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
3. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 82, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, voor het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf als tussenpersoon ten behoeve van het buiten besloten kring aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:3, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
4. Een ontheffing die op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992is verleend aan een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 3 van de Vrijstellingsregeling Wtk 1992die niet voldeed aan de in dat artikelbedoelde voorschriften berust, voor zover deze ontheffing betrekking heeft op die voorschriften, vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:2, derde lid, van laatstgenoemde wet.
2. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 82, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, voor het buiten besloten kring van anderen dan professionele marktpartijen aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van opvorderbare gelden, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:5, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
3. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 82, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, voor het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf als tussenpersoon ten behoeve van het buiten besloten kring aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 4:3, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
4. Een ontheffing die op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992is verleend aan een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 3 van de Vrijstellingsregeling Wtk 1992die niet voldeed aan de in dat artikelbedoelde voorschriften berust, voor zover deze ontheffing betrekking heeft op die voorschriften, vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:2, derde lid, van laatstgenoemde wet.