BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 55
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. Een kredietinstelling die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a of b is geregistreerd, dient bij de Bank periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen staten, al dan niet tevens op geconsolideerde basis, inzake haar bedrijf in, die de Bank nodig heeft voor de juiste uitoefening van de taak, haar bij artikel 2 van deze wet opgelegd. Op verzoek van de Bank dient een kredietinstelling die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder c is geregistreerd, deze staten, al dan niet periodiek, binnen de daartoe vastgestelde termijn bij de Bank in.
2. De vorm, waarin de in het eerste lid bedoelde staten moeten worden opgemaakt, de benaming en omschrijving van de posten welke zij moeten bevatten, de achtereenvolgende tijdstippen waarop zij betrekking moeten hebben, de termijnen, binnen welke zij moeten worden ingediend en de te hanteren grondslagen van de waardering van de posten worden door de Bank bepaald en kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn.
3. Indien de Bank zulks in het belang van een doelmatig toezicht noodzakelijk acht, kan zij een kredietinstelling opdragen staten als bedoeld in het eerste lid, bij haar in te dienen die betrekking hebben op tijdstippen met een kortere tussenpoos of op kortere termijnen dan ingevolge het tweede lid is bepaald.
4. De verplichtingen als omschreven in het eerste lid gelden niet voor zover aan een kredietinstelling een ontheffing als bedoeld in de artikelen 20, vierde lid, 21, vierde lid, of 30b, vierde lid is verleend.
5. De staten als bedoeld in het eerste lid moeten periodiek zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De kredietinstelling is verplicht bij de opdracht tot het onderzoek de accountant schriftelijk te machtigen desgevraagd of ingevolge een daartoe strekkende overeenkomst tussen de kredietinstelling, de accountant en de Bank aan de Bank alle inlichtingen te verstrekken, die redelijkerwijze geacht kunnen worden nodig te zijn voor de juiste uitvoering van de taak, bij deze wet aan de Bank opgelegd. De Bank stelt de kredietinstelling in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de accountant.
6. De accountant, bedoeld in het vijfde lid, meldt de Bank zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als bedoeld in het vijfde lid kennis heeft gekregen en die:
a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 38 zijn gesteld;
b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen;
c. het voortbestaan van de kredietinstelling bedreigt; of
d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.
7. Op de accountant die naast zijn werkzaamheden voor de kredietinstelling ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het zesde lid, van overeenkomstige toepassing indien de kredietinstelling dochtermaatschappij is van de andere onderneming of instelling, dan wel indien de andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de kredietinstelling. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder dochtermaatschappij verstaan een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24 avan Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat een kredietinstelling tevens dochtermaatschappij kan zijn van een natuurlijk persoon of vennootschap.
8. De accountant die op grond van het zesde of zevende lid tot een melding aan de Bank is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.
9. De Bank kan geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de verplichting als omschreven in het eerste lid en aan deze ontheffing voorschriften verbinden.
2. De vorm, waarin de in het eerste lid bedoelde staten moeten worden opgemaakt, de benaming en omschrijving van de posten welke zij moeten bevatten, de achtereenvolgende tijdstippen waarop zij betrekking moeten hebben, de termijnen, binnen welke zij moeten worden ingediend en de te hanteren grondslagen van de waardering van de posten worden door de Bank bepaald en kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn.
3. Indien de Bank zulks in het belang van een doelmatig toezicht noodzakelijk acht, kan zij een kredietinstelling opdragen staten als bedoeld in het eerste lid, bij haar in te dienen die betrekking hebben op tijdstippen met een kortere tussenpoos of op kortere termijnen dan ingevolge het tweede lid is bepaald.
4. De verplichtingen als omschreven in het eerste lid gelden niet voor zover aan een kredietinstelling een ontheffing als bedoeld in de artikelen 20, vierde lid, 21, vierde lid, of 30b, vierde lid is verleend.
5. De staten als bedoeld in het eerste lid moeten periodiek zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De kredietinstelling is verplicht bij de opdracht tot het onderzoek de accountant schriftelijk te machtigen desgevraagd of ingevolge een daartoe strekkende overeenkomst tussen de kredietinstelling, de accountant en de Bank aan de Bank alle inlichtingen te verstrekken, die redelijkerwijze geacht kunnen worden nodig te zijn voor de juiste uitvoering van de taak, bij deze wet aan de Bank opgelegd. De Bank stelt de kredietinstelling in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de accountant.
6. De accountant, bedoeld in het vijfde lid, meldt de Bank zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als bedoeld in het vijfde lid kennis heeft gekregen en die:
a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 38 zijn gesteld;
b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen;
c. het voortbestaan van de kredietinstelling bedreigt; of
d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.
7. Op de accountant die naast zijn werkzaamheden voor de kredietinstelling ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het zesde lid, van overeenkomstige toepassing indien de kredietinstelling dochtermaatschappij is van de andere onderneming of instelling, dan wel indien de andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de kredietinstelling. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder dochtermaatschappij verstaan een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24 avan Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat een kredietinstelling tevens dochtermaatschappij kan zijn van een natuurlijk persoon of vennootschap.
8. De accountant die op grond van het zesde of zevende lid tot een melding aan de Bank is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.
9. De Bank kan geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de verplichting als omschreven in het eerste lid en aan deze ontheffing voorschriften verbinden.