BWBR0005792
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 24
Wet toezicht kredietwezen 1992
1. Het is iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar, een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling te houden, te verwerven of te vergroten dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling uit te oefenen.
2. Een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, tenzij:
a. de Bank van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de betrokken kredietinstelling die in strijd is met een gezond bankbeleid;
b. de Bank van oordeel is, dat de handeling ertoe zou leiden of zou kunnen leiden dat de betrokken kredietinstelling behoort of zou gaan behoren tot een groep waarbinnen de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de kredietinstelling;
c. de Bank van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële sector;
d. de Bank van oordeel is dat de naleving van de in artikel 22a bedoelde regels onvoldoende is gewaarborgd; of
e. Onze minister van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële sector.
3. Aan een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid kunnen op grond van de overwegingen als bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c en d, onderscheidenlijk het tweede lid, onder e, beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
4. Ingeval het houden, het verwerven of het vergroten van een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid is verricht, zonder dat voor die handeling een verklaring van geen bezwaar is verkregen of de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is de in overtreding zijnde natuurlijke persoon of rechtspersoon gehouden binnen een door Onze minister dan wel vanwege Onze minister door de Bank te bepalen termijn de verrichte handeling ongedaan te maken dan wel de beperkingen alsnog in acht te nemen. Deze verplichting vervalt op het tijdstip waarop en voor zover voor de desbetreffende handeling alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken.
5. Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid geschiedt, zonder dat voor het houden, het verwerven of het vergroten van de gekwalificeerde deelneming dan wel voor het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid een verklaring van geen bezwaar is verkregen dan wel de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is een mede door de uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan worden vernietigd op vordering van Onze minister dan wel vanwege Onze minister van de Bank. Het besluit wordt in dat geval door de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de kredietinstelling gevestigd is, vernietigd indien het besluit zonder dat de desbetreffende zeggenschap zou zijn uitgeoefend, anders zou hebben geluid dan wel niet zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken. De rechtbank regelt voor zover nodig de gevolgen van de vernietiging.
6. Ingeval aan de verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid verbonden voorschriften niet worden nagekomen, kan Onze minister dan wel vanwege Onze minister de Bank een termijn vaststellen waarbinnen de in overtreding zijnde natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon de niet nagekomen voorschriften alsnog moet vervullen.
2. Een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, tenzij:
a. de Bank van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de betrokken kredietinstelling die in strijd is met een gezond bankbeleid;
b. de Bank van oordeel is, dat de handeling ertoe zou leiden of zou kunnen leiden dat de betrokken kredietinstelling behoort of zou gaan behoren tot een groep waarbinnen de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de kredietinstelling;
c. de Bank van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële sector;
d. de Bank van oordeel is dat de naleving van de in artikel 22a bedoelde regels onvoldoende is gewaarborgd; of
e. Onze minister van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiële sector.
3. Aan een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid kunnen op grond van de overwegingen als bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c en d, onderscheidenlijk het tweede lid, onder e, beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
4. Ingeval het houden, het verwerven of het vergroten van een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid is verricht, zonder dat voor die handeling een verklaring van geen bezwaar is verkregen of de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is de in overtreding zijnde natuurlijke persoon of rechtspersoon gehouden binnen een door Onze minister dan wel vanwege Onze minister door de Bank te bepalen termijn de verrichte handeling ongedaan te maken dan wel de beperkingen alsnog in acht te nemen. Deze verplichting vervalt op het tijdstip waarop en voor zover voor de desbetreffende handeling alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken.
5. Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid geschiedt, zonder dat voor het houden, het verwerven of het vergroten van de gekwalificeerde deelneming dan wel voor het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid een verklaring van geen bezwaar is verkregen dan wel de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is een mede door de uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan worden vernietigd op vordering van Onze minister dan wel vanwege Onze minister van de Bank. Het besluit wordt in dat geval door de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de kredietinstelling gevestigd is, vernietigd indien het besluit zonder dat de desbetreffende zeggenschap zou zijn uitgeoefend, anders zou hebben geluid dan wel niet zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken. De rechtbank regelt voor zover nodig de gevolgen van de vernietiging.
6. Ingeval aan de verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid verbonden voorschriften niet worden nagekomen, kan Onze minister dan wel vanwege Onze minister de Bank een termijn vaststellen waarbinnen de in overtreding zijnde natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon de niet nagekomen voorschriften alsnog moet vervullen.