BWBR0006509
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 13
Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
1. Als verzekeraars worden niet beschouwd:
a. de Sociale verzekeringsbank;
b. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel;
d. onderlinge waarborgmaatschappijen met zetel in Nederland en ondernemingen of instellingen op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland die uitsluitend schade verzekeren, veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer en muiterij;
e. ondernemingen of instellingen die geen andere branche uitoefenen dan de branche Hulpverlening en daarbij uitsluitend dekking verlenen in geval van een ongeval met of een defect aan een wegvoertuig, mits ingevolge de dekking de hulp bij een ongeval of defect in Nederland of direct over de grens beperkt is tot: 1°. technische hulp ter plaatse, waarvoor de onderneming of instelling in de regel eigen personeel of uitrusting gebruikt;
2°. het vervoer van het voertuig naar de dichtstbijzijnde of meest geschikte plaats van reparatie, alsmede het eventuele vervoer van de bestuurder en passagiers, doorgaans met hetzelfde hulpmiddel, naar de dichtstbijzijnde plaats vanwaar zij hun reis met andere middelen kunnen voortzetten;
3°. het vervoer van het voertuig, eventueel met de bestuurder en passagiers, naar hun woonplaats, hun plaats van vertrek of hun oorspronkelijke bestemming binnen Nederland; en, voor zover de dekking zich mede uitstrekt tot een ongeval of defect in het buitenland, de hulp beperkt is tot de onder 1° en 2° bedoelde verrichtingen, de belanghebbende lid is van de onderneming of instelling en de hulp of het vervoer van het voertuig enkel op vertoon van een bewijs van lidmaatschap, zonder betaling van extra premie, wordt uitgevoerd door een soortgelijke, in de betrokken staat werkzame organisatie die zich hiertoe op basis van wederkerigheid heeft verplicht.
1°. technische hulp ter plaatse, waarvoor de onderneming of instelling in de regel eigen personeel of uitrusting gebruikt;
2°. het vervoer van het voertuig naar de dichtstbijzijnde of meest geschikte plaats van reparatie, alsmede het eventuele vervoer van de bestuurder en passagiers, doorgaans met hetzelfde hulpmiddel, naar de dichtstbijzijnde plaats vanwaar zij hun reis met andere middelen kunnen voortzetten;
3°. het vervoer van het voertuig, eventueel met de bestuurder en passagiers, naar hun woonplaats, hun plaats van vertrek of hun oorspronkelijke bestemming binnen Nederland;
f. verzekeraars als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.
2. Als uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf wordt niet beschouwd het sluiten of afwikkelen van overeenkomsten als bedoeld in artikel 1, tweede lid.
3. Als uitoefening van het verzekeringsbedrijf wordt, met inachtneming van het vierde lid, niet beschouwd het sluiten of afwikkelen van overeenkomsten van verzekering voor eigen rekening door:
a. bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen of ondernemingsspaarfondsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen b, c onderscheidenlijk d, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, die krachtens die wet aan het toezicht van de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn onderworpen;
b. ondernemingen in de zin van artikel 1 van de Pensioen- en spaarfondsenwet of pensioeninstellingen die voor eigen rekening geen andere overeenkomsten van verzekering sluiten of afwikkelen dan die welke dienen ter uitvoering van toezeggingen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de genoemde wet of toezeggingen ten aanzien waarvan krachtens artikel 29 van die wet ontheffing is verleend van artikel 2, eerste lid, van die wet;
c. fondsen waarop de Wet verplichte beroepspensioenregeling van toepassing is, en wel zolang de verplichte deelneming van kracht is alsmede gedurende de afwikkeling van hun schulden die ten tijde van de intrekking van de verplichtstelling bestaan;
d. het pensioenfonds waaraan deelneming verplicht is op grond van de Wet op het notarisambt.
4. Het bepaalde in het derde lid is slechts van toepassing voor zover:
a. een bedrijfstakpensioenfonds binnen de bedrijfstak of bedrijfstakken, omschreven in zijn statuten, dan wel een ondernemingspensioenfonds handelt ter uitvoering van: 1°. een verplichtstelling op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;
2°. een toezegging omtrent pensioen, als bedoeld in artikel 2 van de Pensioen- en spaarfondsenwet of een toezegging omtrent pensioen, gedaan door een bijdragende onderneming met zetel in een andere lidstaat, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen n en o, van de Pensioen- en spaarfondsenwet;
3°. een vrijwillige pensioenvoorziening waartoe de mogelijkheid voortvloeit uit het deelnemerschap en die hetzij past binnen het raam van de regeling die voor de categorie waartoe de deelnemer behoort, in het pensioenfonds geldt ter uitvoering van een verplichtstellingsbeschikking als bedoeld onder 1° of van een toezegging als bedoeld onder 2°, hetzij kan worden beschouwd als een fase in de ontwikkelingsgang naar een eventuele uitbreiding van de werkingssfeer van de ten behoeve van nabestaanden in de regeling opgenomen voorzieningen; of
4°. een regeling krachtens welke de voor een deelnemer bestaande pensioenvoorziening bij beëindiging van diens deelnemerschap vrijwillig wordt voortgezet;
1°. een verplichtstelling op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;
2°. een toezegging omtrent pensioen, als bedoeld in artikel 2 van de Pensioen- en spaarfondsenwet of een toezegging omtrent pensioen, gedaan door een bijdragende onderneming met zetel in een andere lidstaat, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen n en o, van de Pensioen- en spaarfondsenwet;
3°. een vrijwillige pensioenvoorziening waartoe de mogelijkheid voortvloeit uit het deelnemerschap en die hetzij past binnen het raam van de regeling die voor de categorie waartoe de deelnemer behoort, in het pensioenfonds geldt ter uitvoering van een verplichtstellingsbeschikking als bedoeld onder 1° of van een toezegging als bedoeld onder 2°, hetzij kan worden beschouwd als een fase in de ontwikkelingsgang naar een eventuele uitbreiding van de werkingssfeer van de ten behoeve van nabestaanden in de regeling opgenomen voorzieningen; of
4°. een regeling krachtens welke de voor een deelnemer bestaande pensioenvoorziening bij beëindiging van diens deelnemerschap vrijwillig wordt voortgezet;
b. een ondernemingsspaarfonds handelt ter uitvoering van een door een werkgever getroffen regeling tot sparen voor een uitkering bij wijze van oudedagsverzorging;
c. een onderneming als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, verzekeringen sluit ten bate van personen, verbonden aan die onderneming, dan wel een pensioeninstelling als bedoeld in dat onderdeel verzekeringen sluit ten bate van personen, verbonden aan een bepaalde zodanige onderneming; ingeval de onderneming waaraan de betrokken personen verbonden zijn, tot een groep behoort, wordt de groep gelijkgesteld met die onderneming;
d. een beroepspensioenfonds handelt ter uitvoering van: 1°. een verplichtstelling op grond van de Wet verplichte beroepspensioenregeling of de Wet op het notarisambt; of
2°. een vrijwillige pensioenvoorziening ten bate van een deelnemer of gewezen deelnemer die hetzij past binnen het raam van de regeling die in het pensioenfonds geldt ter uitvoering van een verplichtstelling als bedoeld onder 1°, hetzij kan worden beschouwd als een fase in de ontwikkelingsgang naar een eventuele uitbreiding van de werkingssfeer van de ten behoeve van nabestaanden in de regeling opgenomen voorzieningen;
1°. een verplichtstelling op grond van de Wet verplichte beroepspensioenregeling of de Wet op het notarisambt; of
2°. een vrijwillige pensioenvoorziening ten bate van een deelnemer of gewezen deelnemer die hetzij past binnen het raam van de regeling die in het pensioenfonds geldt ter uitvoering van een verplichtstelling als bedoeld onder 1°, hetzij kan worden beschouwd als een fase in de ontwikkelingsgang naar een eventuele uitbreiding van de werkingssfeer van de ten behoeve van nabestaanden in de regeling opgenomen voorzieningen;
e. het pensioenfonds, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, handelt ter uitvoering van: een vrijwillige pensioenvoorziening ten bate van een deelnemer of gewezen deelnemer, die hetzij past binnen het raam van de regeling die in het betrokken pensioenfonds geldt ter uitvoering van de onder 1° genoemde toepasselijke wet, hetzij kan worden beschouwd als een fase in de ontwikkelingsgang naar een eventuele uitbreiding van de werkingssfeer van de ten behoeve van nabestaanden in de regeling opgenomen voorzieningen.
5. Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere beperkingen en verdere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onderdeel <em>a</em>, onder 2, 3 en 4, onderdelen <em>b</em>en <em>c</em>, onderdeel <em>d</em>, onder 2, en onderdeel <em>e</em>, onder 2. Onze voornoemde ministers kunnen de Pensioen- & Verzekeringskamer en de Sociaal-Economische Raad om advies vragen. In dat geval zijn deze verplicht dit advies uit te brengen.
6. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in het vierde lid. Aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij kan worden ingetrokken.
a. de Sociale verzekeringsbank;
b. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel;
d. onderlinge waarborgmaatschappijen met zetel in Nederland en ondernemingen of instellingen op onderlinge grondslag met zetel buiten Nederland die uitsluitend schade verzekeren, veroorzaakt door of ontstaan uit gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer en muiterij;
e. ondernemingen of instellingen die geen andere branche uitoefenen dan de branche Hulpverlening en daarbij uitsluitend dekking verlenen in geval van een ongeval met of een defect aan een wegvoertuig, mits ingevolge de dekking de hulp bij een ongeval of defect in Nederland of direct over de grens beperkt is tot: 1°. technische hulp ter plaatse, waarvoor de onderneming of instelling in de regel eigen personeel of uitrusting gebruikt;
2°. het vervoer van het voertuig naar de dichtstbijzijnde of meest geschikte plaats van reparatie, alsmede het eventuele vervoer van de bestuurder en passagiers, doorgaans met hetzelfde hulpmiddel, naar de dichtstbijzijnde plaats vanwaar zij hun reis met andere middelen kunnen voortzetten;
3°. het vervoer van het voertuig, eventueel met de bestuurder en passagiers, naar hun woonplaats, hun plaats van vertrek of hun oorspronkelijke bestemming binnen Nederland; en, voor zover de dekking zich mede uitstrekt tot een ongeval of defect in het buitenland, de hulp beperkt is tot de onder 1° en 2° bedoelde verrichtingen, de belanghebbende lid is van de onderneming of instelling en de hulp of het vervoer van het voertuig enkel op vertoon van een bewijs van lidmaatschap, zonder betaling van extra premie, wordt uitgevoerd door een soortgelijke, in de betrokken staat werkzame organisatie die zich hiertoe op basis van wederkerigheid heeft verplicht.
1°. technische hulp ter plaatse, waarvoor de onderneming of instelling in de regel eigen personeel of uitrusting gebruikt;
2°. het vervoer van het voertuig naar de dichtstbijzijnde of meest geschikte plaats van reparatie, alsmede het eventuele vervoer van de bestuurder en passagiers, doorgaans met hetzelfde hulpmiddel, naar de dichtstbijzijnde plaats vanwaar zij hun reis met andere middelen kunnen voortzetten;
3°. het vervoer van het voertuig, eventueel met de bestuurder en passagiers, naar hun woonplaats, hun plaats van vertrek of hun oorspronkelijke bestemming binnen Nederland;
f. verzekeraars als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.
2. Als uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf wordt niet beschouwd het sluiten of afwikkelen van overeenkomsten als bedoeld in artikel 1, tweede lid.
3. Als uitoefening van het verzekeringsbedrijf wordt, met inachtneming van het vierde lid, niet beschouwd het sluiten of afwikkelen van overeenkomsten van verzekering voor eigen rekening door:
a. bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen of ondernemingsspaarfondsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen b, c onderscheidenlijk d, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, die krachtens die wet aan het toezicht van de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn onderworpen;
b. ondernemingen in de zin van artikel 1 van de Pensioen- en spaarfondsenwet of pensioeninstellingen die voor eigen rekening geen andere overeenkomsten van verzekering sluiten of afwikkelen dan die welke dienen ter uitvoering van toezeggingen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de genoemde wet of toezeggingen ten aanzien waarvan krachtens artikel 29 van die wet ontheffing is verleend van artikel 2, eerste lid, van die wet;
c. fondsen waarop de Wet verplichte beroepspensioenregeling van toepassing is, en wel zolang de verplichte deelneming van kracht is alsmede gedurende de afwikkeling van hun schulden die ten tijde van de intrekking van de verplichtstelling bestaan;
d. het pensioenfonds waaraan deelneming verplicht is op grond van de Wet op het notarisambt.
4. Het bepaalde in het derde lid is slechts van toepassing voor zover:
a. een bedrijfstakpensioenfonds binnen de bedrijfstak of bedrijfstakken, omschreven in zijn statuten, dan wel een ondernemingspensioenfonds handelt ter uitvoering van: 1°. een verplichtstelling op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;
2°. een toezegging omtrent pensioen, als bedoeld in artikel 2 van de Pensioen- en spaarfondsenwet of een toezegging omtrent pensioen, gedaan door een bijdragende onderneming met zetel in een andere lidstaat, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen n en o, van de Pensioen- en spaarfondsenwet;
3°. een vrijwillige pensioenvoorziening waartoe de mogelijkheid voortvloeit uit het deelnemerschap en die hetzij past binnen het raam van de regeling die voor de categorie waartoe de deelnemer behoort, in het pensioenfonds geldt ter uitvoering van een verplichtstellingsbeschikking als bedoeld onder 1° of van een toezegging als bedoeld onder 2°, hetzij kan worden beschouwd als een fase in de ontwikkelingsgang naar een eventuele uitbreiding van de werkingssfeer van de ten behoeve van nabestaanden in de regeling opgenomen voorzieningen; of
4°. een regeling krachtens welke de voor een deelnemer bestaande pensioenvoorziening bij beëindiging van diens deelnemerschap vrijwillig wordt voortgezet;
1°. een verplichtstelling op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;
2°. een toezegging omtrent pensioen, als bedoeld in artikel 2 van de Pensioen- en spaarfondsenwet of een toezegging omtrent pensioen, gedaan door een bijdragende onderneming met zetel in een andere lidstaat, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen n en o, van de Pensioen- en spaarfondsenwet;
3°. een vrijwillige pensioenvoorziening waartoe de mogelijkheid voortvloeit uit het deelnemerschap en die hetzij past binnen het raam van de regeling die voor de categorie waartoe de deelnemer behoort, in het pensioenfonds geldt ter uitvoering van een verplichtstellingsbeschikking als bedoeld onder 1° of van een toezegging als bedoeld onder 2°, hetzij kan worden beschouwd als een fase in de ontwikkelingsgang naar een eventuele uitbreiding van de werkingssfeer van de ten behoeve van nabestaanden in de regeling opgenomen voorzieningen; of
4°. een regeling krachtens welke de voor een deelnemer bestaande pensioenvoorziening bij beëindiging van diens deelnemerschap vrijwillig wordt voortgezet;
b. een ondernemingsspaarfonds handelt ter uitvoering van een door een werkgever getroffen regeling tot sparen voor een uitkering bij wijze van oudedagsverzorging;
c. een onderneming als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, verzekeringen sluit ten bate van personen, verbonden aan die onderneming, dan wel een pensioeninstelling als bedoeld in dat onderdeel verzekeringen sluit ten bate van personen, verbonden aan een bepaalde zodanige onderneming; ingeval de onderneming waaraan de betrokken personen verbonden zijn, tot een groep behoort, wordt de groep gelijkgesteld met die onderneming;
d. een beroepspensioenfonds handelt ter uitvoering van: 1°. een verplichtstelling op grond van de Wet verplichte beroepspensioenregeling of de Wet op het notarisambt; of
2°. een vrijwillige pensioenvoorziening ten bate van een deelnemer of gewezen deelnemer die hetzij past binnen het raam van de regeling die in het pensioenfonds geldt ter uitvoering van een verplichtstelling als bedoeld onder 1°, hetzij kan worden beschouwd als een fase in de ontwikkelingsgang naar een eventuele uitbreiding van de werkingssfeer van de ten behoeve van nabestaanden in de regeling opgenomen voorzieningen;
1°. een verplichtstelling op grond van de Wet verplichte beroepspensioenregeling of de Wet op het notarisambt; of
2°. een vrijwillige pensioenvoorziening ten bate van een deelnemer of gewezen deelnemer die hetzij past binnen het raam van de regeling die in het pensioenfonds geldt ter uitvoering van een verplichtstelling als bedoeld onder 1°, hetzij kan worden beschouwd als een fase in de ontwikkelingsgang naar een eventuele uitbreiding van de werkingssfeer van de ten behoeve van nabestaanden in de regeling opgenomen voorzieningen;
e. het pensioenfonds, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, handelt ter uitvoering van: een vrijwillige pensioenvoorziening ten bate van een deelnemer of gewezen deelnemer, die hetzij past binnen het raam van de regeling die in het betrokken pensioenfonds geldt ter uitvoering van de onder 1° genoemde toepasselijke wet, hetzij kan worden beschouwd als een fase in de ontwikkelingsgang naar een eventuele uitbreiding van de werkingssfeer van de ten behoeve van nabestaanden in de regeling opgenomen voorzieningen.
5. Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere beperkingen en verdere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onderdeel <em>a</em>, onder 2, 3 en 4, onderdelen <em>b</em>en <em>c</em>, onderdeel <em>d</em>, onder 2, en onderdeel <em>e</em>, onder 2. Onze voornoemde ministers kunnen de Pensioen- & Verzekeringskamer en de Sociaal-Economische Raad om advies vragen. In dat geval zijn deze verplicht dit advies uit te brengen.
6. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in het vierde lid. Aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld of voorschriften worden verbonden en zij kan worden ingetrokken.