BWBR0020616
Geldig vanaf 2007-01-01
Artikel 65
Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht
1. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 10, vijfde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:19, derde lid, van laatstgenoemde wet.
2. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:53, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
3. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 20, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:57, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
4. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 21, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieelop artikel 3:63, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
5. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 22, derde lid, of 30c, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:17, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
6. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 30, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:71, derde lid, van laatstgenoemde wet.
7. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 30b, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992van het terzake van de vereiste solvabiliteit of liquiditeit bepaalde, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:57, zesde lid, onderscheidenlijk artikel 3:63, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
8. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 55, negende lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:72, achtste lid, van laatstgenoemde wet.
2. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:53, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
3. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 20, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:57, zesde lid, van laatstgenoemde wet.
4. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 21, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieelop artikel 3:63, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
5. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 22, derde lid, of 30c, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:17, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
6. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 30, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:71, derde lid, van laatstgenoemde wet.
7. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 30b, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992van het terzake van de vereiste solvabiliteit of liquiditeit bepaalde, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:57, zesde lid, onderscheidenlijk artikel 3:63, vierde lid, van laatstgenoemde wet.
8. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 55, negende lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtop artikel 3:72, achtste lid, van laatstgenoemde wet.