BWBR0018329
Geldig vanaf 2006-01-01
Artikel 16
Wet financiële dienstverlening
1. De toezichthouder kan aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid een vergunning verlenen die mede strekt ten behoeve van bij die rechtspersoon aangesloten instellingen, indien die rechtspersoon:
a. krachtens zijn statuten en de statuten van de bij hem aangesloten instellingen of krachtens een overeenkomst met de bij hem aangesloten instellingen beschikt over voldoende bevoegdheden jegens de aangesloten instellingen om een handelen van een zodanige instelling in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde tegen te kunnen gaan;
b. beschikt over voldoende mogelijkheden tot deskundige ondersteuning van de aangesloten instellingen; en
c. gemachtigd is die instellingen bij de vergunningaanvraag en ook overigens voor de toepassing van dit hoofdstuk te vertegenwoordigen.
2. Voor de toepassing van deze wet gelden handelingen van de aangesloten instelling als handelingen van de rechtspersoon.
3. Indien na het verlenen van een vergunning als bedoeld in het eerste lid een instelling zich aansluit bij de rechtspersoon geldt de vergunning mede voor die instelling, indien de rechtspersoon ten aanzien van deze instelling voldoet aan het eerste lid.
4. De houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid maakt bij de toezichthouder onverwijld melding van de aansluiting van een instelling als bedoeld in het derde lid en van de beëindiging van de aansluiting van een aangesloten instelling.
a. krachtens zijn statuten en de statuten van de bij hem aangesloten instellingen of krachtens een overeenkomst met de bij hem aangesloten instellingen beschikt over voldoende bevoegdheden jegens de aangesloten instellingen om een handelen van een zodanige instelling in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde tegen te kunnen gaan;
b. beschikt over voldoende mogelijkheden tot deskundige ondersteuning van de aangesloten instellingen; en
c. gemachtigd is die instellingen bij de vergunningaanvraag en ook overigens voor de toepassing van dit hoofdstuk te vertegenwoordigen.
2. Voor de toepassing van deze wet gelden handelingen van de aangesloten instelling als handelingen van de rechtspersoon.
3. Indien na het verlenen van een vergunning als bedoeld in het eerste lid een instelling zich aansluit bij de rechtspersoon geldt de vergunning mede voor die instelling, indien de rechtspersoon ten aanzien van deze instelling voldoet aan het eerste lid.
4. De houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid maakt bij de toezichthouder onverwijld melding van de aansluiting van een instelling als bedoeld in het derde lid en van de beëindiging van de aansluiting van een aangesloten instelling.