BWBR0006509
Geldig vanaf 2002-11-14
Artikel 156
Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
1. Wanneer het belang der gezamenlijke schuldeisers bij de afwikkeling van het bedrijf van een verzekeraar een bijzondere voorziening vordert, kan de rechtbank binnen welker rechtsgebied de verzekeraar zijn woonplaats heeft, op verzoek van de Pensioen- & Verzekeringskamer de noodregeling uitspreken. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder verzekeraar verstaan:
a. de verzekeraar die in het bezit is van een vergunning hem door de Pensioen- & Verzekeringskamer verleend;
b. de verzekeraar waarvan die vergunning is ingetrokken of vervallen;
c. de verzekeraar met zetel in Nederland of de verzekeraar met zetel buiten de Unie met een bijkantoor in Nederland die nimmer in het bezit is geweest van een door de Pensioen- & Verzekeringskamer verleende vergunning, dan wel de verzekeraar met zetel in een andere lidstaat dan Nederland met een bijkantoor in Nederland, die nimmer in het bezit is geweest van een door de toezichthoudende autoriteit van die lidstaat verleende vergunning die overeenkomt met door de Pensioen- & Verzekeringskamer verleende vergunningen.
2. Bij het uitspreken van de noodregeling benoemt de rechtbank een van haar leden of van de leden van een andere rechtbank tot rechter-commissaris en benoemt zij één of meer bewindvoerders. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan voor de benoeming van de bewindvoerder of bewindvoerders voordrachten doen.
3. Bij het uitspreken van de noodregeling verleent de rechtbank op verzoek van de Pensioen- & Verzekeringskamer aan de bewindvoerders een machtiging die strekt tot:
a. overdracht van het geheel of van een gedeelte van de rechten en verplichtingen van de verzekeraar uit of krachtens overeenkomsten van verzekering;
b. vereffening van het geheel of van een gedeelte van de portefeuille van de verzekeraar; of
c. zowel overdracht als bedoeld in onderdeel a als vereffening als bedoeld in onderdeel b.
Zo lang nog niet blijkt dat de verzekeraar een negatief eigen vermogen heeft, strekken de machtigingen, bedoeld in onderdelen b en c, mede tot vereffening van het vermogen van de onderneming van de verzekeraar.
4. De rechtbank behandelt het verzoek van de Pensioen- & Verzekeringskamer tot het uitspreken van de noodregeling met de meeste spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.
5. De rechtbank geeft geen beschikking als bedoeld in het eerste lid dan nadat de verzekeraar en de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn gehoord, althans behoorlijk zijn opgeroepen.
6. Indien de machtiging strekt tot overdracht als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, kan op voordracht van de rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerders de machtiging worden uitgebreid tot een machtiging die strekt tot zowel overdracht als vereffening.
7. Op een voordracht of verzoek als bedoeld in het zesde lid wordt niet beslist dan nadat de rechter de Pensioen- & Verzekeringskamer in de gelegenheid heeft gesteld haar mening daaromtrent kenbaar te maken. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt met de meeste spoed haar mening kenbaar.
8. Nadat de Pensioen- & Verzekeringskamer haar mening ingevolge het zevende lid kenbaar heeft gemaakt, of, indien zij niet van de in het zevende lid bedoelde gelegenheid gebruikt heeft gemaakt, behandelt de rechtbank de voordracht of het verzoek, bedoeld in het zesde lid met de meeste spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.
9. Ten aanzien van een verzekeraar met zetel buiten de Unie hebben de machtigingen betrekking op het vanuit zijn bijkantoren in Nederland uitgeoefende verzekeringsbedrijf. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welke activa en passiva tot dat bedrijf moeten worden gerekend.
10. De Pensioen- & Verzekeringskamer zendt een afschrift van haar verzoekschriften als bedoeld in het eerste en derde lid en de voordracht of het verzoek, bedoeld in het zesde lid, aan de verzekeraar en geeft van de inhoud daarvan kennis aan:
a. indien het een verzekeraar met zetel in Nederland betreft, de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waar de verzekeraar een bijkantoor heeft of waarheen hij diensten verricht vanuit zijn vestigingen in de Unie;
b. indien het een verzekeraar met zetel buiten de Unie betreft, de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waarheen hij diensten verricht vanuit een bijkantoor in Nederland en, indien een andere toezichthoudende autoriteit in de Unie belast is met het toezicht op de solvabiliteitsmarge van de betrokken verzekeraar, die toezichthoudende autoriteit.
Indien het een voordracht of verzoek als bedoeld in het zesde lid betreft, zendt de griffier een afschrift daarvan aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
11. De rechtbank kan inzage nemen of doen nemen van de zakelijke gegevens en bescheiden van de verzekeraar. Artikel 57is daarbij van overeenkomstige toepassing.
12. De beschikkingen, bedoeld in het eerste en zesde lid, worden met redenen omkleed. De beschikking, houdende dat de noodregeling niet wordt uitgesproken, wordt niet op een openbare terechtzitting uitgesproken. De griffier doet van de zakelijke inhoud van de beschikking mededeling in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen, de Staatscourant, alsmede in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. In de laatstbedoelde publicatie wordt tevens vermeld dat op de noodregeling, behoudens uitzonderingen, Nederlands recht van toepassing is.
13. De griffier stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer onverwijld in kennis van de beschikkingen, bedoeld in het eerste, derde en zesde lid.
14. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt, onverwijld nadat zij in kennis is gesteld van de beschikkingen, bedoeld in het eerste, derde en zesde lid, de toezichthoudende autoriteiten van alle andere lid-staten in kennis van de beschikkingen, alsmede van de mogelijke gevolgen in het desbetreffende geval.
15. De beschikkingen, bedoeld in het eerste, derde en zesde lid, zijn uitvoerbaar bij voorraad. De beschikking, bedoeld in het eerste lid, werkt terug tot aan het begin van de dag waarop zij is uitgesproken. De in dit lid bedoelde uitvoerbaarheid en terugwerkende kracht gelden niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening.
16. In afwijking van het vijftiende lid werkt de beschikking niet terug ten aanzien van een door een verzekeraar voor het tijdstip waarop de rechtbank de beschikking heeft gegeven gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboekof een overdracht of vestiging van een pandrecht op grond daarvan, of enige uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te voeren.
17. Het vijftiende lid kan niet aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een door een verzekeraar, na het tijdstip waarop de rechtbank de in het eerste lid genoemde beschikking heeft gegeven, gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of enige uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te voeren, indien de zekerheidsnemer kan aantonen dat deze niet op de hoogte was of behoorde te zijn van de door de rechtbank gegeven beschikking.
18. Bij de beschikking, bedoeld in het eerste lid, bepaalt de rechtbank de duur van de machtiging op ten hoogste anderhalf jaar. Indien een machtiging tot overdracht wordt uitgebreid tot een machtiging tot zowel overdracht en vereffening, bepaalt de rechtbank de duur van de machtiging tot zowel overdracht als vereffening op de resterende duur van de machtiging tot overdracht. Voor het verstrijken van de gestelde termijn kunnen de bewindvoerders eenmaal of meermalen verlenging van de geldigheidsduur voor ten hoogste anderhalf jaar verzoeken. Het verzoek wordt behandeld op dezelfde wijze als een verzoek tot het uitspreken van de noodregeling. Zolang bij de afloop van de geldigheidsduur van de machtiging op een verzoek tot verlenging niet is beschikt, blijft de machtiging gehandhaafd.
a. de verzekeraar die in het bezit is van een vergunning hem door de Pensioen- & Verzekeringskamer verleend;
b. de verzekeraar waarvan die vergunning is ingetrokken of vervallen;
c. de verzekeraar met zetel in Nederland of de verzekeraar met zetel buiten de Unie met een bijkantoor in Nederland die nimmer in het bezit is geweest van een door de Pensioen- & Verzekeringskamer verleende vergunning, dan wel de verzekeraar met zetel in een andere lidstaat dan Nederland met een bijkantoor in Nederland, die nimmer in het bezit is geweest van een door de toezichthoudende autoriteit van die lidstaat verleende vergunning die overeenkomt met door de Pensioen- & Verzekeringskamer verleende vergunningen.
2. Bij het uitspreken van de noodregeling benoemt de rechtbank een van haar leden of van de leden van een andere rechtbank tot rechter-commissaris en benoemt zij één of meer bewindvoerders. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan voor de benoeming van de bewindvoerder of bewindvoerders voordrachten doen.
3. Bij het uitspreken van de noodregeling verleent de rechtbank op verzoek van de Pensioen- & Verzekeringskamer aan de bewindvoerders een machtiging die strekt tot:
a. overdracht van het geheel of van een gedeelte van de rechten en verplichtingen van de verzekeraar uit of krachtens overeenkomsten van verzekering;
b. vereffening van het geheel of van een gedeelte van de portefeuille van de verzekeraar; of
c. zowel overdracht als bedoeld in onderdeel a als vereffening als bedoeld in onderdeel b.
Zo lang nog niet blijkt dat de verzekeraar een negatief eigen vermogen heeft, strekken de machtigingen, bedoeld in onderdelen b en c, mede tot vereffening van het vermogen van de onderneming van de verzekeraar.
4. De rechtbank behandelt het verzoek van de Pensioen- & Verzekeringskamer tot het uitspreken van de noodregeling met de meeste spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.
5. De rechtbank geeft geen beschikking als bedoeld in het eerste lid dan nadat de verzekeraar en de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn gehoord, althans behoorlijk zijn opgeroepen.
6. Indien de machtiging strekt tot overdracht als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, kan op voordracht van de rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerders de machtiging worden uitgebreid tot een machtiging die strekt tot zowel overdracht als vereffening.
7. Op een voordracht of verzoek als bedoeld in het zesde lid wordt niet beslist dan nadat de rechter de Pensioen- & Verzekeringskamer in de gelegenheid heeft gesteld haar mening daaromtrent kenbaar te maken. De Pensioen- & Verzekeringskamer maakt met de meeste spoed haar mening kenbaar.
8. Nadat de Pensioen- & Verzekeringskamer haar mening ingevolge het zevende lid kenbaar heeft gemaakt, of, indien zij niet van de in het zevende lid bedoelde gelegenheid gebruikt heeft gemaakt, behandelt de rechtbank de voordracht of het verzoek, bedoeld in het zesde lid met de meeste spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.
9. Ten aanzien van een verzekeraar met zetel buiten de Unie hebben de machtigingen betrekking op het vanuit zijn bijkantoren in Nederland uitgeoefende verzekeringsbedrijf. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welke activa en passiva tot dat bedrijf moeten worden gerekend.
10. De Pensioen- & Verzekeringskamer zendt een afschrift van haar verzoekschriften als bedoeld in het eerste en derde lid en de voordracht of het verzoek, bedoeld in het zesde lid, aan de verzekeraar en geeft van de inhoud daarvan kennis aan:
a. indien het een verzekeraar met zetel in Nederland betreft, de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waar de verzekeraar een bijkantoor heeft of waarheen hij diensten verricht vanuit zijn vestigingen in de Unie;
b. indien het een verzekeraar met zetel buiten de Unie betreft, de toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten waarheen hij diensten verricht vanuit een bijkantoor in Nederland en, indien een andere toezichthoudende autoriteit in de Unie belast is met het toezicht op de solvabiliteitsmarge van de betrokken verzekeraar, die toezichthoudende autoriteit.
Indien het een voordracht of verzoek als bedoeld in het zesde lid betreft, zendt de griffier een afschrift daarvan aan de Pensioen- & Verzekeringskamer.
11. De rechtbank kan inzage nemen of doen nemen van de zakelijke gegevens en bescheiden van de verzekeraar. Artikel 57is daarbij van overeenkomstige toepassing.
12. De beschikkingen, bedoeld in het eerste en zesde lid, worden met redenen omkleed. De beschikking, houdende dat de noodregeling niet wordt uitgesproken, wordt niet op een openbare terechtzitting uitgesproken. De griffier doet van de zakelijke inhoud van de beschikking mededeling in een of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen dagbladen, de Staatscourant, alsmede in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. In de laatstbedoelde publicatie wordt tevens vermeld dat op de noodregeling, behoudens uitzonderingen, Nederlands recht van toepassing is.
13. De griffier stelt de Pensioen- & Verzekeringskamer onverwijld in kennis van de beschikkingen, bedoeld in het eerste, derde en zesde lid.
14. De Pensioen- & Verzekeringskamer stelt, onverwijld nadat zij in kennis is gesteld van de beschikkingen, bedoeld in het eerste, derde en zesde lid, de toezichthoudende autoriteiten van alle andere lid-staten in kennis van de beschikkingen, alsmede van de mogelijke gevolgen in het desbetreffende geval.
15. De beschikkingen, bedoeld in het eerste, derde en zesde lid, zijn uitvoerbaar bij voorraad. De beschikking, bedoeld in het eerste lid, werkt terug tot aan het begin van de dag waarop zij is uitgesproken. De in dit lid bedoelde uitvoerbaarheid en terugwerkende kracht gelden niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening.
16. In afwijking van het vijftiende lid werkt de beschikking niet terug ten aanzien van een door een verzekeraar voor het tijdstip waarop de rechtbank de beschikking heeft gegeven gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboekof een overdracht of vestiging van een pandrecht op grond daarvan, of enige uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te voeren.
17. Het vijftiende lid kan niet aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een door een verzekeraar, na het tijdstip waarop de rechtbank de in het eerste lid genoemde beschikking heeft gegeven, gesloten financiëlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of enige uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te voeren, indien de zekerheidsnemer kan aantonen dat deze niet op de hoogte was of behoorde te zijn van de door de rechtbank gegeven beschikking.
18. Bij de beschikking, bedoeld in het eerste lid, bepaalt de rechtbank de duur van de machtiging op ten hoogste anderhalf jaar. Indien een machtiging tot overdracht wordt uitgebreid tot een machtiging tot zowel overdracht en vereffening, bepaalt de rechtbank de duur van de machtiging tot zowel overdracht als vereffening op de resterende duur van de machtiging tot overdracht. Voor het verstrijken van de gestelde termijn kunnen de bewindvoerders eenmaal of meermalen verlenging van de geldigheidsduur voor ten hoogste anderhalf jaar verzoeken. Het verzoek wordt behandeld op dezelfde wijze als een verzoek tot het uitspreken van de noodregeling. Zolang bij de afloop van de geldigheidsduur van de machtiging op een verzoek tot verlenging niet is beschikt, blijft de machtiging gehandhaafd.