BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 9
Stoombesluit
1. Stoomtoestellen en damptoestellen worden naar de plaats van opstelling onderscheiden in:
a. vaste toestellen, zijnde stoomtoestellen en damptoestellen onbeweeglijk opgesteld op een vaste standplaats;
b. vaartuigtoestellen, zijnde stoomtoestellen opgesteld aan boord van voor het vervoer van personen of lading bestemde vaartuigen en aan boord van sleepboten;
c. vervoerbare toestellen, zijnde alle stoomtoestellen en damptoestellen niet behorende tot een van de voorgaande groepen.
2. Tot de vaste stoomtoestellen en damptoestellen worden ook geacht te behoren, stoomtoestellen en damptoestellen om een as draaibaar opgesteld op een vaste standplaats, mits het toebehoren, waarvan deze toestellen moeten zijn voorzien, onbeweeglijk is opgesteld.
3. De ruimten van afzonderlijke gedeelten van vaten worden onderscheiden in:
a. dampruimten, zijnde ruimten waarin zich geen vloeistof bevindt;
b. vloeistofruimten, zijnde ruimten waarin zich uitsluitend of tevens vloeistof bevindt.
a. vaste toestellen, zijnde stoomtoestellen en damptoestellen onbeweeglijk opgesteld op een vaste standplaats;
b. vaartuigtoestellen, zijnde stoomtoestellen opgesteld aan boord van voor het vervoer van personen of lading bestemde vaartuigen en aan boord van sleepboten;
c. vervoerbare toestellen, zijnde alle stoomtoestellen en damptoestellen niet behorende tot een van de voorgaande groepen.
2. Tot de vaste stoomtoestellen en damptoestellen worden ook geacht te behoren, stoomtoestellen en damptoestellen om een as draaibaar opgesteld op een vaste standplaats, mits het toebehoren, waarvan deze toestellen moeten zijn voorzien, onbeweeglijk is opgesteld.
3. De ruimten van afzonderlijke gedeelten van vaten worden onderscheiden in:
a. dampruimten, zijnde ruimten waarin zich geen vloeistof bevindt;
b. vloeistofruimten, zijnde ruimten waarin zich uitsluitend of tevens vloeistof bevindt.