BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 42
Stoombesluit
1. Een ketel met een verwarmd oppervlak van ten hoogste 5 m² moet zijn voorzien van een peilglas; een vaartuigketel met een verwarmd oppervlak groter dan 5 m² moet zijn voorzien van tenminste twee peilglazen; andere ketels moeten zijn voorzien van tenminste twee peiltoestellen, waarvan één een peilglas moet zijn.
2. Nabij elk peilglas moet het door het Districtshoofd vastgestelde toegestane laagste vloeistofpeil op de ketel zijn aangegeven door middel van een van messing of brons vervaardigde strook, waarvan de hartlijn samenvalt met de genoemde peilhoogte. Op deze strook moet bij stoomketels "laagste waterpeil", bij dampketels "laagste vloeistofpeil" duidelijk en duurzaam zijn vermeld.
3. Een peilglas moet zodanig op een ketel zijn aangebracht, dat de vloeistof in het glas slechts zichtbaar is tot op een afstand van 50 mm beneden de in het voorgaande lid bedoelde hartlijn of zoveel meer als het Districtshoofd nodig acht.
2. Nabij elk peilglas moet het door het Districtshoofd vastgestelde toegestane laagste vloeistofpeil op de ketel zijn aangegeven door middel van een van messing of brons vervaardigde strook, waarvan de hartlijn samenvalt met de genoemde peilhoogte. Op deze strook moet bij stoomketels "laagste waterpeil", bij dampketels "laagste vloeistofpeil" duidelijk en duurzaam zijn vermeld.
3. Een peilglas moet zodanig op een ketel zijn aangebracht, dat de vloeistof in het glas slechts zichtbaar is tot op een afstand van 50 mm beneden de in het voorgaande lid bedoelde hartlijn of zoveel meer als het Districtshoofd nodig acht.