BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 46
Stoombesluit
1. Ketels, waarin geen dampontwikkeling plaats vindt, moeten zijn voorzien van:
1e. een veiligheidsklep of een veiligheidsbuis;
2e. een manometer;
3e. een thermometer, indien het Districtshoofd dit nodig oordeelt;
4e. een voedingtoestel, tenzij de ketel is aangesloten op een expansievat van voldoende grootte, hetwelk met de buitenlucht in open verbinding staat;
5e. een spui-inrichting op de plaatsen waar het Districtshoofd dit nodig acht.
De veiligheidsbuis moet een inwendige middellijn hebben van tenminste 25 mm.
2. Indien de wijze, waarop ketels als bedoeld in het voorgaande lid in werking zijn, van dien aard is, dat een voortdurende circulatie van de vloeistof door de ketel en de daarmede verbonden warmte-opnemende toestellen wordt onderhouden door middel van een pomp, moet de inrichting zodanig zijn, dat - wanneer deze pomp tot stilstand komt - onmiddellijk een tweede pomp wordt ingeschakeld of de ketel niet verder kan worden verhit.
1e. een veiligheidsklep of een veiligheidsbuis;
2e. een manometer;
3e. een thermometer, indien het Districtshoofd dit nodig oordeelt;
4e. een voedingtoestel, tenzij de ketel is aangesloten op een expansievat van voldoende grootte, hetwelk met de buitenlucht in open verbinding staat;
5e. een spui-inrichting op de plaatsen waar het Districtshoofd dit nodig acht.
De veiligheidsbuis moet een inwendige middellijn hebben van tenminste 25 mm.
2. Indien de wijze, waarop ketels als bedoeld in het voorgaande lid in werking zijn, van dien aard is, dat een voortdurende circulatie van de vloeistof door de ketel en de daarmede verbonden warmte-opnemende toestellen wordt onderhouden door middel van een pomp, moet de inrichting zodanig zijn, dat - wanneer deze pomp tot stilstand komt - onmiddellijk een tweede pomp wordt ingeschakeld of de ketel niet verder kan worden verhit.