BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 28
Stoombesluit
1. Veiligheidskleppen en veiligheidsbuizen moeten in niet af te sluiten verbinding staan met de ruimten, waarin zij een ontoelaatbare drukstijging moeten voorkomen, behoudens in het geval dat de druk uitsluitend ontstaat door aanvoer uit een leiding, waarmede de veiligheidsklep of de veiligheidsbuis in niet af te sluiten verbinding staat.
De klepopening van veiligheidskleppen, behoudens van die, bedoeld in de artikelen 40, lid 2, en 53, lid 2, moet een middellijn van tenminste 25 mm hebben.
2. Veiligheidskleppen van stoomtoestellen en damptoestellen, waarin damp kan worden voortgebracht, of waarin een damp of een gas wordt aangevoerd, moeten een zodanige klepopening en doorlaat van de toe- en afvoerkanalen hebben, dat de grootst mogelijke ontwikkelde of aangevoerde hoeveelheid door die kleppen kan worden afgevoerd, zonder dat de druk in het toestel meer dan 15 procent boven de toegestane werkdruk stijgt.
3. In geval van twijfel of veiligheidskleppen voldoen aan de eisen in het voorgaande lid gesteld, hetzij in verband met de klepopening, de doorlaat van de toe- of afvoerkanalen of de toestand, waarin zich enig onderdeel van deze veiligheidskleppen bevindt, hetzij in verband met de mogelijk geachte dampontwikkeling, kan de betrokken ambtenaar van de Dienst die proefneming voorschrijven, welke hem voldoende zekerheid kan verschaffen.
De klepopening van veiligheidskleppen, behoudens van die, bedoeld in de artikelen 40, lid 2, en 53, lid 2, moet een middellijn van tenminste 25 mm hebben.
2. Veiligheidskleppen van stoomtoestellen en damptoestellen, waarin damp kan worden voortgebracht, of waarin een damp of een gas wordt aangevoerd, moeten een zodanige klepopening en doorlaat van de toe- en afvoerkanalen hebben, dat de grootst mogelijke ontwikkelde of aangevoerde hoeveelheid door die kleppen kan worden afgevoerd, zonder dat de druk in het toestel meer dan 15 procent boven de toegestane werkdruk stijgt.
3. In geval van twijfel of veiligheidskleppen voldoen aan de eisen in het voorgaande lid gesteld, hetzij in verband met de klepopening, de doorlaat van de toe- of afvoerkanalen of de toestand, waarin zich enig onderdeel van deze veiligheidskleppen bevindt, hetzij in verband met de mogelijk geachte dampontwikkeling, kan de betrokken ambtenaar van de Dienst die proefneming voorschrijven, welke hem voldoende zekerheid kan verschaffen.