BWBR0002123
Geldig vanaf 1954-01-01
Artikel 11
Stoombesluit
1. Als een afzonderlijk gedeelte van een stoomtoestel of damptoestel wordt beschouwd:
a. een ruimte, welke direct noch indirect met een andere ruimte van het stoomtoestel of damptoestel in verbinding staat;
b. een ruimte, welke met een andere ruimte van het stoomtoestel of damptoestel in verbinding staat door in de gemeenschappelijke wand van de beide ruimten aanwezige openingen met een gezamenlijke doorlaat van ten hoogste 20 cm2;
c. een ruimte, welke met een andere ruimte van het stoomtoestel of damptoestel in verbinding staat door pijpen met een gemiddelde lengte van tenminste het tienvoud van de middellijn van een cirkel, waarvan het oppervlak gelijk is aan de gezamenlijke doorlaat van de pijpen.
2. Indien de wand tussen twee ruimten zodanig is, dat deze geacht moet worden te zullen bezwijken, wanneer slechts aan één zijde de werkdruk heerst, worden deze ruimten - ongeacht het bepaalde in het voorgaande lid - tezamen als een ruimte van het stoomtoestel of damptoestel beschouwd.
3. De inhoud van pijpen, uitmondende in een ruimte van een stoomtoestel of damptoestel en deel uitmakende van het toestel, wordt geacht tot de inhoud van die ruimte te behoren, echter over geen grotere lengte dan het vijfvoud van de inwendige middellijn van de pijp en voor zoveel het betreft pijpen, als bedoeld onder cin het eerste lid, over geen grotere lengte dan het vijfvoud van de daarin genoemde middellijn.
a. een ruimte, welke direct noch indirect met een andere ruimte van het stoomtoestel of damptoestel in verbinding staat;
b. een ruimte, welke met een andere ruimte van het stoomtoestel of damptoestel in verbinding staat door in de gemeenschappelijke wand van de beide ruimten aanwezige openingen met een gezamenlijke doorlaat van ten hoogste 20 cm2;
c. een ruimte, welke met een andere ruimte van het stoomtoestel of damptoestel in verbinding staat door pijpen met een gemiddelde lengte van tenminste het tienvoud van de middellijn van een cirkel, waarvan het oppervlak gelijk is aan de gezamenlijke doorlaat van de pijpen.
2. Indien de wand tussen twee ruimten zodanig is, dat deze geacht moet worden te zullen bezwijken, wanneer slechts aan één zijde de werkdruk heerst, worden deze ruimten - ongeacht het bepaalde in het voorgaande lid - tezamen als een ruimte van het stoomtoestel of damptoestel beschouwd.
3. De inhoud van pijpen, uitmondende in een ruimte van een stoomtoestel of damptoestel en deel uitmakende van het toestel, wordt geacht tot de inhoud van die ruimte te behoren, echter over geen grotere lengte dan het vijfvoud van de inwendige middellijn van de pijp en voor zoveel het betreft pijpen, als bedoeld onder cin het eerste lid, over geen grotere lengte dan het vijfvoud van de daarin genoemde middellijn.